Sessie 4 - De Luna-toren

 9 september (avond) en 10 september (nacht)

  • Locatie en plaats: bij de DM, 7 juni 2025
  • Aanwezig: Lühü, Nestor, Zercon
  • Afwezig: Thormund
  • Op zijqueeste: Calpurnia, Lardo, Lorenzo

Samenvatting: na een knokpartij op de begraafplaats wordt de groep verwelkomt door Grigio, die hen de ware toedracht schetst van wat er in deze wijk gaande is. Hij leidt de groep naar de toren, breekt zijn tegenvloek en offert zichzelf op. In de toren zelf ontdekt de groep de versteende Jub-Jub de Caluwé, lossen ze raadsels op en maken ze zich op voor de confrontatie met Giordano/Gordone.

Om de tijd te doden tot de groep Grigio een bezoek gaat brengen in zijn huisje aan de begraafplaats, vinden ze er niets beters op dan een rondvaart te maken door de wijk en wordt Nestor gebombardeerd tot toeristische gids aangezien hij vreemd genoeg al zo veel weet over Alagadda. De gondelier moet zijn kameraden echter teleurstellen: de Luna-toren is zowat de enige bezienswaardigheid, en hij herinnert zich dat de wijk altijd al vrij arm geweest is, op wat artisanale huisvlijt na, zoals bijvoorbeeld klokken maken en vlinders onderhouden. Lühü probeert vast te stellen wat de Sylvia zo intrigerend maakt, maar kan enkel concluderen dat het zeker een boot is.

Tegen dat de avond valt, hangt er een warme, klamme mist over het stadsdeel en stappen ze uit de gondel om het Cimitero delle Fiamme binnen te treden. De begraafplaats ziet er verwaarloosd en naargeestig uit. In de verte zien ze het huisje van Grigio, dat gebouwd is in dezelfde stijl als de kapel van I Fratelli waar ze Camaborn hadden opgezocht. Grafstenen zijn half in de grond weggezonken of hangen naar één kant, en elke grafsteen heeft een klein lampje met een schrikkerig vlammetje, wat de plek eigenlijk nog griezeliger maakt. Zercon hoort voetstappen maar weet niet van waar. Iedereen is nu alert.

En de alertheid redt de groep van overrompeld te worden: uit alle richtingen komen in totaal acht in het zwart geklede figuren uit de mist. Zercon vraagt welke zaken de heren hier hebben, waarop hun leider, Pedro, op hen toestapt. Het is een grote, wreed uitziende man met een litteken. Hij bijt Zercon toe dat de vreemdelingen hier zelf juist geen zaken hebben en hier niet gewenst zijn. Hij zegt tegen Nestor dat die mag beschikken en terug mag gaan naar zijn gondel, maar Nestor is standvastig: “Ik hoor bij hen.” Er ontstaat een bloedige vechtpartij. De knokploeg, waarvan de groep later te weten komt dat die bekend staan als de ‘Duemani’, schrikt eerst even nog van een gigantische boer van Thormund die hen doordringt van een dieprode straling maar gaat dan toch stevig te keer. Zercon is de eerste om een stevig pak slaag te krijgen en al gauw volgt Lühü ook in het delen in de klappen. Maar niemand is hier aan zijn proefstuk toe: Nestor is een scherpschutter, Zercon mept wilt in het rond en stuurt vlammen uit zijn vuist (beiden merken tot hun verrassing dat vuur hier feller brandt en meer schade berokkent) en Daya rijgt een eerste bandiet dood aan haar degen. Voor de Duemani is het nu persoonlijk, vooral hoofdman Pedro heeft het op Zercon gemunt, die seksueel getinte beledigingen in het rond strooit. Lühü ondervindt wat technische problemen met zijn spirituele wapenen. Het kantelpunt komt als Zercon met zijn schild in de schenen van Pedro te mikken de hoofdman doet knielen, hem zegt dat zijn moeder gisteren ook in die positie voor hem zat, en hem dan het hoofd inslaat met zijn lustwapen. Bloed, hersen- en botfragmenten spatten in het rond. De intussen nog zes overlevenden vluchten terug te nacht in – Zercon probeert er nog één de achtervolgen, maar beseft tenslotte ook dat het zinloos is.

Terwijl ze de schade opmeten, Lühü zichzelf geneest en Zercon zijn zaad uitstort over de heilige gronden komt een bezorgde Grigio aangelopen vanuit zijn huisje. Hij was opgeschrikt door alle commotie. Hij is blij dat de groep het overleefd heeft en ook blij dat ze op zijn uitnodiging zijn ingegaan. Terwijl ze naar zijn huisje wandelen, waar thee en eenvoudig gebak wachten op de vreemdelingen, drukt hij zijn spijt uit over hoe ze hier behandeld zijn. De Brandende Wijk is een plek waar vreemdelingen niet welkom zijn. Lühü, die intussen al pijlsnel het lokale racisme heeft geïnternaliseerd, gaat hier eigenlijk mee akkoord, hoewel Grigio hem verzekert dat hij, zeker met de tekenen van zijn devotie aan de Kerk van Voltooiing, hier juist wel goed past.

Terwijl de vijf avonturiers aansterken onder de thee en het gebak, doet Grigio zijn verhaal onder het zachte geknetter van een haardvuur. Hij zegt dat de wijk gebukt gaat onder een vloek die hij willens nillens zelf mee heeft gecreëerd en dat het verhaal dat iedereen in de wijk vertelt over Giordano’s tragische liefde een fantasie is die naderhand bijna iedereen is gaan geloven. Alleen mensen die lange tijd spenderen aan de rand van of buiten de wijk kunnen de waarheid onthouden – het is daarom dat zijn beste vriend Antonio zich zo vaak laat opsluiten. In het licht van het haardvuur ziet Grigio er nog ouder uit dan hij al is, getekend door diep verdriet. Het ware verhaal is het volgende: vroeger kon iedereen die de vier vlinders had verzameld via de Glazen Bron op zijn of haar naamdag magisch toegang krijgen tot de Luna-toren. Niemand weet echt wie de toren ooit bouwde, maar aan de binnenkant was het een plek van kunst, rust en verpozing. Giordano en Grigio’s dochter Luisa hadden dezelfde naamdag en de toen nog jonge visconte was er al jaren op gebrand Luisa de zijne te maken, maar ze had al een verloofde. Op haar 21ste naamdag vluchtte Luisa in de Luna-toren na Giordano finaal te hebben afgewezen en uit wraak stak Giordano de Glazen Bron in brand – de hitte was zo hevig dat de hele wijk wellicht was afgebrand had Grigio niet ingegrepen. Met zijn eigen magie verzegelde hij de toegang tot de Luna-toren vanuit de bron en stolde hij de brand in de tijd, maar daarvoor gaf hij ook een aanzienlijk deel op van zijn eigen levenskracht. Giordano’s vloekvuur was echter niet volledig uitgewerkt – toen de visconte weer bijkwam, geloofde hij dat hij Gordone Durolege was geworden en dat hij het mysterie rond de Luna-toren tot op de bodem moest uitzoeken.

De groep vraagt wat er geworden was van Luisa’s verloofde. Grigio zegt dat die na Luisa’s naamdag nooit meer gezien is sinds Giordano hem liet arresteren onder een voorwendsel, en Antonio denkt dat Federico’s skelet nog altijd ergens in de diepste kelders van de gevangenis ligt. Grigio vertelt dan verder dat de nieuwbakken Gordone intussen weet dat er buiten de vlinders ook een soort rouw-rune nodig is om binnen te raken in de toren maar dat hij die niet kan gebruiken. De reden is dat Grigio die rune gemaakt heeft met zijn tegen-vloek en dat specifiek Gordone/Giordano hem daarom niet kan gebruiken. Hij waarschuwt de groep nog dat eens ze onder begeleiding van Grigio de toren bereiken, dat Gordone hen zeker zal achtervolgen, maar dat dat de beste gelegenheid is om de waanzinnige visconte definitief te stoppen, want niemand anders in de wijk kan het of durft het. Naast de rune en de vlinders moeten er ook drie offers gebracht worden: iemand of iets waarvan ooit iemand heel erg heeft gehouden, iemand die het verlies kent van een geliefde, en iemand of iets waar niet van kan worden gehouden. Lühü, immer observant, zegt onmiddellijk dat Grigio het tweede is en hijzelf het eerste. Grigio is opnieuw verbaasd door de ijzeren logica van de priester van Voltooiing en zegt dat hij gelijk heeft.

Zercon van zijn kant voelt de bui al hangen als Grigio zegt dat hij zichzelf wil opofferen voor de eerste en tweede voorwaarde (en Lühü is niet meer zo kippig om de derde in te lossen als het offer zijn eigen leven betekent). Hij probeert te protesteren en heeft flashbacks naar de podiumzelfmoord van “de clown Pagliaccio”, maar Grigio wuift Zercons bezwaren vriendelijk maar beslist weg. Hij zegt dat 20 jaar in rouw leven meer dan lang genoeg is, en als zijn eigen dood er toe kan bijdragen dat de Brandende Wijk kan verlost worden van Giordano’s tirannie, dan doet hij dat. Hij voegt er nog aan toe dat als die “gekke tovenaar” is binnengeraakt in de Luna-toren zonder de voorwaarden te vervullen, dat betekent dat de vloek en de tegenvloek misschien niet zo sluitend waren als hij dacht en dat Giordano er vroeg of laat zelf achter komt. Lühü en Nestor overleggen intussen over wat het “ding dat niet kan geliefd worden wel zou kunnen zijn” en Nestor komt op een idee: zijn amnesie. Het is nu wel duidelijk dat hij zelf ooit van Alagadda naar Toril is gegaan en nu weer “thuis” is maar hij weet niet hoe of wat of wie hij vroeger was. Grigio’s droevige gezicht klaart een beetje op: hij vindt dat een prachtig idee. Het vijftal plus Grigio besluiten dan de gondel te nemen naar de Verbrande Bron.

De Verbrande Bron heeft zijn naam niet gestolen: al het marmer- en glaswerk is verwrongen en zwart en waar ooit water was gaapt een diepe put. Er is nog altijd een kettingladder naar de bodem. Terwijl ze rond de naargeestige ruïne staan hoort de groep voetstappen weglopen: wellicht iemand die Giordano/Gordone is gaan informeren. Grigio zegt dat ze zich best haasten. De vlinders worden losgelaten en de offers gemaakt: Nestor laat zijn amnesie varen en Grigio snijdt zichzelf efficiënt de keel over voor Zercon nog eens kan protesteren. Rondom de groep beginnen kleuren te wervelen waar de vlinders mee in opgaan, om dan te transformeren tot een uniform bloedrood. Eens dat wegtrekt, bevinden ze zich op een zacht, donkerblauw tapijt dat oneindig lijkt uit te strekken in alle richtingen, met geen zichtbare muren of plafond. Er is een gedimd licht dat geen bron lijkt te hebben.

Het duurt niet lang eer ze een standbeeld tegenkomen van een persoon van een ambigu gender met een pijnlijke grimas. Nestor weet onmiddellijk dat dit Jub-Jub de Caluwé is. Lühü zet nog enkele passen en vier sferen komen bij de groep zweven. Na wat voorzichtig onderzoek blijken deze objecten de ‘oro di stronzi’ te zijn, een vervloekte geldschat; de ‘pommogranata di pandi’, een rook- en zuurbommetje, een viaal met een vloeistof die versteende levensvormen terug tot leven kan wekken en een zuigend object waarvan ze niet kunnen achterhalen wat het is. Een discussie begint of ze Jub-Jub terug moeten herstellen of de viaal houden voor zichzelf. Zercon wil de versteende tovenaar helpen omdat die hen dan ook misschien zal helpen, Nestor en Lühü hebben niet echt een mening en Daya neigt meer naar de kant van Zercon. Thormund drinkt bier. Losjes denkt iedereen dat als de tovenaar zich tegen hen zou keren, dat ze hem wel eens vlug zouden afranselen – wat kan een man die ooit een bijl in zijn anus heeft gekregen toen hij nog avonturier was, hen immers maken?

Er gaat een siddering door het tapijt en iedereen voelt plots zijn benen tintelen. Zercon slaat de viaal kapot op Jub-Jub, die terstond tot leven komt en iedereen gebiedt te lopen voor hun leven – er is inmiddels een kristallen trap verschenen even verderop. Lühü zweeft.

Jub-Jub de Caluwé, genderfluïde tovenaar

Eens op de trap houden ze halt. Jub-Jub bedankt hun bevrijders en legt uit dat het tapijt zelf ongenode bezoekers kan verstenen en wijst het ene object aan dat ze niet hebben meegenomen als de ‘elettrolucio’, een object dat een oppervlak kan vrijwaren van stof en wellicht het tapijt kan kalmeren. Lühü zweeft terug om het te halen. Jub-Jub is nieuwsgierig naar de nieuwkomers en ziet direct aan Zercon, Lühü, Daya en Thormund dat ze net als hun van Toril komen en wil weten waarom ze naar Alagadda zijn gekomen en waarom ze hun hebben gered. Nadat die bijgepraat wordt, waar Nestor al voor de zoveelste keer vruchteloos probeert om te liegen zonder reden, drukt Jub-Jub hun spijt uit dat hij de objecten van de Gouden Prins had gestolen en wil die het terug goedmaken met Camaborn. Jub-Jub zegt dat die zelf de Luna-toren is binnengeraakt met de Zijden Sluier, die niet alleen gedachten kan verbergen en beveiligen, maar ook de drager door muren kan laten wandelen.

Ze gaan de trap naar boven. Lühü vraagt zich luidop af waarom al die torens toch, en Jub-Jub valt hem enthousiast bij – hij heeft ook al het verband gemaakt tussen de Toren van Overdaad, de Luna-toren en de Toren van Invloed (nu een ruïne in Lluskan). Eens boven wordt de groep getrakteerd op de vista’s van de Glazen Tuin, een binnentuin waarin elk sprietje gras, elke bloem, elke struik, elke lage boom en elk beekje van glas is. Zelfs de vlinders zijn van glas, en dat glas is gekleurd in mooie tinten. Zercon vindt er 8 stuks helende dranken in bijzonder mooi gemaakte flesjes. Even flikkert een beeld op het onbestaande plot van Giordano/Gordone die het uitschreeuwt: “Je maakt mij kapot, Luisa!”. Daarna rijst een nieuwe trap op en komt de groep terecht in de Kapel van Verlangen. De Kapel heeft gebrandschilderd glas, zes vensters, die fases uit Giordano’s leven lijken af te beelden, en voor een altaar staan twee schimmen die lijken te gaan trouwen. Daarachter zit op een troon de schim van de Ambassadeur, met zijn griezelige rictus-grijns. Jub-Jub zegt, net als Camaborn voor hen, dat de Ambassadeur niet te vertrouwen is. Iedereen is alles nog in zich aan het opnemen als een diepe mannenstem hen welkom heet. Ze draaien zich om en Jub-Jub is verdwenen. De eigenaar van de stem is iemand anders: een grote man gekleed in donkerrode gewaden, lederen riemen, handschoenen en met een kap die zijn gezicht grotendeels verborgen houdt.

De man stelt zich voor als Il Mago Vermiglio en zegt dat hij hen naar het volgende verdiep kan helpen als ze zijn raadsels beantwoorden.

“Op welke stoel kan je niet gaan zitten?” Nestor: “Een paddenstoel.”

“Wat heeft 13 harten, zit in een doos en leeft niet?” Lühü: “Een boek kaarten.”

“Wat heeft geen stem maar antwoordt altijd?” Zercon: “Een echo.”

“Op welke vraag kan je nooit bevestigend antwoorden?” Nestor: “Of je dood bent.”

“Wat kan lopen maar nooit wandelen?” Lühü: “Een rivier.”

“Van welk snaarinstrument bespeel je de snaren niet zelf?” Zercon: “Een piano.”

Il Mago had zoveel schranderheid niet verwacht en lacht zowaar. Hij laat ze ongehinderd passeren. De Kapel van Verlangen maakt plaats voor de Iridiscerende Kamers, een soort glazen troonzaal waar op een troon het opgedroogde lijk zit van een jonge vrouw – duidelijk Luisa.

Achter de troon staan echter Giordano en zijn twee beulen, Alana en Dante. Giordano heeft de Zijden Sluier vast. Hij kakelt als een bezetene, gebroken door zijn eigen waanzin. Eerst lijkt hij de Sluier te zullen aanbieden, maar dan fixeert zijn blik Nestor. “Jij! Jij bent Federico!” Nestor is geschokt – zou het kunnen? Maar dan wijst hij ook de rest aan en beschuldigt hen ervan allemaal “Federico” te zijn. Hij trilt van razernij en schuift zijn zwaard uit zijn wandelstok.

De Luna-toren. Veel groter vanbinnen dan vanbuiten!




Reacties

Populaire posts van deze blog

Sessie 5 - De universiteit van het leven

Sessie 8 - Jusqu'ici, tout va bien

Sessie 9 - Koffietafels