Sessie 4 - De Luna-toren
- Locatie en plaats: bij de DM, 7 juni 2025
- Aanwezig: Lühü, Nestor, Zercon
- Afwezig: Thormund
- Op zijqueeste: Calpurnia, Lardo, Lorenzo
Samenvatting: na een knokpartij op de begraafplaats wordt de groep verwelkomt door Grigio, die hen de ware toedracht schetst van wat er in deze wijk gaande is. Hij leidt de groep naar de toren, breekt zijn tegenvloek en offert zichzelf op. In de toren zelf ontdekt de groep de versteende Jub-Jub de Caluwé, lossen ze raadsels op en maken ze zich op voor de confrontatie met Giordano/Gordone.
Om de tijd te doden tot
de groep Grigio een bezoek gaat brengen in zijn huisje aan de begraafplaats,
vinden ze er niets beters op dan een rondvaart te maken door de wijk en wordt
Nestor gebombardeerd tot toeristische gids aangezien hij vreemd genoeg al zo
veel weet over Alagadda. De gondelier moet zijn kameraden echter teleurstellen:
de Luna-toren is zowat de enige bezienswaardigheid, en hij herinnert zich dat
de wijk altijd al vrij arm geweest is, op wat artisanale huisvlijt na, zoals
bijvoorbeeld klokken maken en vlinders onderhouden. Lühü probeert vast te stellen
wat de Sylvia zo intrigerend maakt, maar kan enkel concluderen dat het
zeker een boot is.
Tegen dat de avond
valt, hangt er een warme, klamme mist over het stadsdeel en stappen ze uit de gondel
om het Cimitero delle Fiamme binnen te treden. De begraafplaats ziet er verwaarloosd
en naargeestig uit. In de verte zien ze het huisje van Grigio, dat gebouwd is
in dezelfde stijl als de kapel van I Fratelli waar ze Camaborn hadden
opgezocht. Grafstenen zijn half in de grond weggezonken of hangen naar één kant,
en elke grafsteen heeft een klein lampje met een schrikkerig vlammetje, wat de
plek eigenlijk nog griezeliger maakt. Zercon hoort voetstappen maar weet niet
van waar. Iedereen is nu alert.
En de alertheid redt
de groep van overrompeld te worden: uit alle richtingen komen in totaal acht in
het zwart geklede figuren uit de mist. Zercon vraagt welke zaken de heren hier
hebben, waarop hun leider, Pedro, op hen toestapt. Het is een grote, wreed
uitziende man met een litteken. Hij bijt Zercon toe dat de vreemdelingen hier zelf
juist geen zaken hebben en hier niet gewenst zijn. Hij zegt tegen Nestor dat
die mag beschikken en terug mag gaan naar zijn gondel, maar Nestor is
standvastig: “Ik hoor bij hen.” Er ontstaat een bloedige vechtpartij. De
knokploeg, waarvan de groep later te weten komt dat die bekend staan als de ‘Duemani’,
schrikt eerst even nog van een gigantische boer van Thormund die hen doordringt
van een dieprode straling maar gaat dan toch stevig te keer. Zercon is de
eerste om een stevig pak slaag te krijgen en al gauw volgt Lühü ook in het
delen in de klappen. Maar niemand is hier aan zijn proefstuk toe: Nestor is een
scherpschutter, Zercon mept wilt in het rond en stuurt vlammen uit zijn vuist
(beiden merken tot hun verrassing dat vuur hier feller brandt en meer schade
berokkent) en Daya rijgt een eerste bandiet dood aan haar degen. Voor de
Duemani is het nu persoonlijk, vooral hoofdman Pedro heeft het op Zercon
gemunt, die seksueel getinte beledigingen in het rond strooit. Lühü ondervindt
wat technische problemen met zijn spirituele wapenen. Het kantelpunt komt als
Zercon met zijn schild in de schenen van Pedro te mikken de hoofdman doet
knielen, hem zegt dat zijn moeder gisteren ook in die positie voor hem zat, en
hem dan het hoofd inslaat met zijn lustwapen. Bloed, hersen- en botfragmenten
spatten in het rond. De intussen nog zes overlevenden vluchten terug te nacht
in – Zercon probeert er nog één de achtervolgen, maar beseft tenslotte ook dat het
zinloos is.
Terwijl ze de schade
opmeten, Lühü zichzelf geneest en Zercon zijn zaad uitstort over de heilige
gronden komt een bezorgde Grigio aangelopen vanuit zijn huisje. Hij was
opgeschrikt door alle commotie. Hij is blij dat de groep het overleefd heeft en
ook blij dat ze op zijn uitnodiging zijn ingegaan. Terwijl ze naar zijn huisje
wandelen, waar thee en eenvoudig gebak wachten op de vreemdelingen, drukt hij
zijn spijt uit over hoe ze hier behandeld zijn. De Brandende Wijk is een plek
waar vreemdelingen niet welkom zijn. Lühü, die intussen al pijlsnel het lokale
racisme heeft geïnternaliseerd, gaat hier eigenlijk mee akkoord, hoewel Grigio
hem verzekert dat hij, zeker met de tekenen van zijn devotie aan de Kerk van
Voltooiing, hier juist wel goed past.
Terwijl de vijf
avonturiers aansterken onder de thee en het gebak, doet Grigio zijn verhaal
onder het zachte geknetter van een haardvuur. Hij zegt dat de wijk gebukt gaat
onder een vloek die hij willens nillens zelf mee heeft gecreëerd en dat het
verhaal dat iedereen in de wijk vertelt over Giordano’s tragische liefde een
fantasie is die naderhand bijna iedereen is gaan geloven. Alleen mensen die
lange tijd spenderen aan de rand van of buiten de wijk kunnen de waarheid
onthouden – het is daarom dat zijn beste vriend Antonio zich zo vaak laat
opsluiten. In het licht van het haardvuur ziet Grigio er nog ouder uit dan hij
al is, getekend door diep verdriet. Het ware verhaal is het volgende: vroeger
kon iedereen die de vier vlinders had verzameld via de Glazen Bron op zijn of
haar naamdag magisch toegang krijgen tot de Luna-toren. Niemand weet echt wie
de toren ooit bouwde, maar aan de binnenkant was het een plek van kunst, rust
en verpozing. Giordano en Grigio’s dochter Luisa hadden dezelfde naamdag en de
toen nog jonge visconte was er al jaren op gebrand Luisa de zijne te maken,
maar ze had al een verloofde. Op haar 21ste naamdag vluchtte Luisa
in de Luna-toren na Giordano finaal te hebben afgewezen en uit wraak stak
Giordano de Glazen Bron in brand – de hitte was zo hevig dat de hele wijk wellicht
was afgebrand had Grigio niet ingegrepen. Met zijn eigen magie verzegelde hij
de toegang tot de Luna-toren vanuit de bron en stolde hij de brand in de tijd,
maar daarvoor gaf hij ook een aanzienlijk deel op van zijn eigen levenskracht.
Giordano’s vloekvuur was echter niet volledig uitgewerkt – toen de visconte
weer bijkwam, geloofde hij dat hij Gordone Durolege was geworden en dat hij het
mysterie rond de Luna-toren tot op de bodem moest uitzoeken.
De groep vraagt wat er
geworden was van Luisa’s verloofde. Grigio zegt dat die na Luisa’s naamdag nooit
meer gezien is sinds Giordano hem liet arresteren onder een voorwendsel, en
Antonio denkt dat Federico’s skelet nog altijd ergens in de diepste kelders van
de gevangenis ligt. Grigio vertelt dan verder dat de nieuwbakken Gordone
intussen weet dat er buiten de vlinders ook een soort rouw-rune nodig is om
binnen te raken in de toren maar dat hij die niet kan gebruiken. De reden is
dat Grigio die rune gemaakt heeft met zijn tegen-vloek en dat specifiek
Gordone/Giordano hem daarom niet kan gebruiken. Hij waarschuwt de groep nog dat
eens ze onder begeleiding van Grigio de toren bereiken, dat Gordone hen zeker
zal achtervolgen, maar dat dat de beste gelegenheid is om de waanzinnige
visconte definitief te stoppen, want niemand anders in de wijk kan het of durft
het. Naast de rune en de vlinders moeten er ook drie offers gebracht worden:
iemand of iets waarvan ooit iemand heel erg heeft gehouden, iemand die het
verlies kent van een geliefde, en iemand of iets waar niet van kan worden
gehouden. Lühü, immer observant, zegt onmiddellijk dat Grigio het tweede is en
hijzelf het eerste. Grigio is opnieuw verbaasd door de ijzeren logica van de
priester van Voltooiing en zegt dat hij gelijk heeft.
Zercon van zijn kant
voelt de bui al hangen als Grigio zegt dat hij zichzelf wil opofferen voor de
eerste en tweede voorwaarde (en Lühü is niet meer zo kippig om de derde in te
lossen als het offer zijn eigen leven betekent). Hij probeert te protesteren en
heeft flashbacks naar de podiumzelfmoord van “de clown Pagliaccio”, maar Grigio
wuift Zercons bezwaren vriendelijk maar beslist weg. Hij zegt dat 20 jaar in
rouw leven meer dan lang genoeg is, en als zijn eigen dood er toe kan bijdragen
dat de Brandende Wijk kan verlost worden van Giordano’s tirannie, dan doet hij
dat. Hij voegt er nog aan toe dat als die “gekke tovenaar” is binnengeraakt in
de Luna-toren zonder de voorwaarden te vervullen, dat betekent dat de vloek en
de tegenvloek misschien niet zo sluitend waren als hij dacht en dat Giordano er
vroeg of laat zelf achter komt. Lühü en Nestor overleggen intussen over wat het
“ding dat niet kan geliefd worden wel zou kunnen zijn” en Nestor komt op een
idee: zijn amnesie. Het is nu wel duidelijk dat hij zelf ooit van Alagadda naar
Toril is gegaan en nu weer “thuis” is maar hij weet niet hoe of wat of wie hij
vroeger was. Grigio’s droevige gezicht klaart een beetje op: hij vindt dat een
prachtig idee. Het vijftal plus Grigio besluiten dan de gondel te nemen naar de
Verbrande Bron.
De Verbrande Bron
heeft zijn naam niet gestolen: al het marmer- en glaswerk is verwrongen en
zwart en waar ooit water was gaapt een diepe put. Er is nog altijd een
kettingladder naar de bodem. Terwijl ze rond de naargeestige ruïne staan hoort
de groep voetstappen weglopen: wellicht iemand die Giordano/Gordone is gaan
informeren. Grigio zegt dat ze zich best haasten. De vlinders worden losgelaten
en de offers gemaakt: Nestor laat zijn amnesie varen en Grigio snijdt zichzelf
efficiënt de keel over voor Zercon nog eens kan protesteren. Rondom de groep beginnen
kleuren te wervelen waar de vlinders mee in opgaan, om dan te transformeren tot
een uniform bloedrood. Eens dat wegtrekt, bevinden ze zich op een zacht,
donkerblauw tapijt dat oneindig lijkt uit te strekken in alle richtingen, met
geen zichtbare muren of plafond. Er is een gedimd licht dat geen bron lijkt te
hebben.
Het duurt niet lang
eer ze een standbeeld tegenkomen van een persoon van een ambigu gender met een
pijnlijke grimas. Nestor weet onmiddellijk dat dit Jub-Jub de Caluwé is. Lühü
zet nog enkele passen en vier sferen komen bij de groep zweven. Na wat
voorzichtig onderzoek blijken deze objecten de ‘oro di stronzi’ te zijn, een
vervloekte geldschat; de ‘pommogranata di pandi’, een rook- en zuurbommetje, een
viaal met een vloeistof die versteende levensvormen terug tot leven kan wekken
en een zuigend object waarvan ze niet kunnen achterhalen wat het is. Een discussie
begint of ze Jub-Jub terug moeten herstellen of de viaal houden voor zichzelf.
Zercon wil de versteende tovenaar helpen omdat die hen dan ook misschien zal
helpen, Nestor en Lühü hebben niet echt een mening en Daya neigt meer naar de
kant van Zercon. Thormund drinkt bier. Losjes denkt iedereen dat als de
tovenaar zich tegen hen zou keren, dat ze hem wel eens vlug zouden afranselen –
wat kan een man die ooit een bijl in zijn anus heeft gekregen toen hij nog
avonturier was, hen immers maken?
Er gaat een siddering
door het tapijt en iedereen voelt plots zijn benen tintelen. Zercon slaat de
viaal kapot op Jub-Jub, die terstond tot leven komt en iedereen gebiedt te
lopen voor hun leven – er is inmiddels een kristallen trap verschenen even
verderop. Lühü zweeft.
Eens op de trap houden
ze halt. Jub-Jub bedankt hun bevrijders en legt uit dat het tapijt zelf
ongenode bezoekers kan verstenen en wijst het ene object aan dat ze niet hebben
meegenomen als de ‘elettrolucio’, een object dat een oppervlak kan vrijwaren
van stof en wellicht het tapijt kan kalmeren. Lühü zweeft terug om het te
halen. Jub-Jub is nieuwsgierig naar de nieuwkomers en ziet direct aan Zercon,
Lühü, Daya en Thormund dat ze net als hun van Toril komen en wil weten waarom
ze naar Alagadda zijn gekomen en waarom ze hun hebben gered. Nadat die bijgepraat
wordt, waar Nestor al voor de zoveelste keer vruchteloos probeert om te liegen
zonder reden, drukt Jub-Jub hun spijt uit dat hij de objecten van de Gouden
Prins had gestolen en wil die het terug goedmaken met Camaborn. Jub-Jub zegt
dat die zelf de Luna-toren is binnengeraakt met de Zijden Sluier, die niet
alleen gedachten kan verbergen en beveiligen, maar ook de drager door muren kan
laten wandelen.
Ze gaan de trap naar
boven. Lühü vraagt zich luidop af waarom al die torens toch, en Jub-Jub valt
hem enthousiast bij – hij heeft ook al het verband gemaakt tussen de Toren van
Overdaad, de Luna-toren en de Toren van Invloed (nu een ruïne in Lluskan). Eens
boven wordt de groep getrakteerd op de vista’s van de Glazen Tuin, een
binnentuin waarin elk sprietje gras, elke bloem, elke struik, elke lage boom en
elk beekje van glas is. Zelfs de vlinders zijn van glas, en dat glas is gekleurd
in mooie tinten. Zercon vindt er 8 stuks helende dranken in bijzonder mooi
gemaakte flesjes. Even flikkert een beeld op het onbestaande plot van
Giordano/Gordone die het uitschreeuwt: “Je maakt mij kapot, Luisa!”. Daarna
rijst een nieuwe trap op en komt de groep terecht in de Kapel van Verlangen. De
Kapel heeft gebrandschilderd glas, zes vensters, die fases uit Giordano’s leven
lijken af te beelden, en voor een altaar staan twee schimmen die lijken te gaan
trouwen. Daarachter zit op een troon de schim van de Ambassadeur, met zijn
griezelige rictus-grijns. Jub-Jub zegt, net als Camaborn voor hen, dat de
Ambassadeur niet te vertrouwen is. Iedereen is alles nog in zich aan het
opnemen als een diepe mannenstem hen welkom heet. Ze draaien zich om en Jub-Jub
is verdwenen. De eigenaar van de stem is iemand anders: een grote man gekleed
in donkerrode gewaden, lederen riemen, handschoenen en met een kap die zijn
gezicht grotendeels verborgen houdt.
De man stelt zich voor
als Il Mago Vermiglio en zegt dat hij hen naar het volgende verdiep kan helpen
als ze zijn raadsels beantwoorden.
“Op welke stoel kan je
niet gaan zitten?” Nestor: “Een paddenstoel.”
“Wat heeft 13 harten,
zit in een doos en leeft niet?” Lühü: “Een boek kaarten.”
“Wat heeft geen stem
maar antwoordt altijd?” Zercon: “Een echo.”
“Op welke vraag kan je
nooit bevestigend antwoorden?” Nestor: “Of je dood bent.”
“Wat kan lopen maar
nooit wandelen?” Lühü: “Een rivier.”
“Van welk
snaarinstrument bespeel je de snaren niet zelf?” Zercon: “Een piano.”
Il Mago had zoveel
schranderheid niet verwacht en lacht zowaar. Hij laat ze ongehinderd passeren.
De Kapel van Verlangen maakt plaats voor de Iridiscerende Kamers, een soort
glazen troonzaal waar op een troon het opgedroogde lijk zit van een jonge vrouw
– duidelijk Luisa.
Achter de troon staan
echter Giordano en zijn twee beulen, Alana en Dante. Giordano heeft de Zijden
Sluier vast. Hij kakelt als een bezetene, gebroken door zijn eigen waanzin.
Eerst lijkt hij de Sluier te zullen aanbieden, maar dan fixeert zijn blik
Nestor. “Jij! Jij bent Federico!” Nestor is geschokt – zou het kunnen? Maar dan
wijst hij ook de rest aan en beschuldigt hen ervan allemaal “Federico” te zijn.
Hij trilt van razernij en schuift zijn zwaard uit zijn wandelstok.


Reacties
Een reactie posten