Sessie 9 - Koffietafels
13, 14 en 15 september
- Locatie en plaats: bij de DM, 24 oktober 2025
- Aanwezig: Lühü, Zercon
- Afwezig: Nestor, Thormund
- Op zijqueeste: Calpurnia, Lorenzo
Lühü bezoekt een kerk en Zercon heeft seks met een opengereten freak. De Ambassadeur verwelkomt de Gourmands in zijn manse, toont zijn bizarre kunstcollectie en stelt hen voor aan andere gasten, die allemaal wel werk hebben voor onze helden.
De rekening arriveert en wordt gedeeld door de Gourmands, die nu intussen beseffen dat ze niet altijd hoeven te pingelen en gierig te zijn dankzij de sommen geld die ze al hebben verdiend aan de Ambassadeur. De gezapige vrede is van korte duur: in een plof van rook verschijnen twee Sfumati samen met Carlotta Cornelia. Carlotta is niet blij. De Sfumati eisen de Magmasleutel terug en Carlotta int ook een boete voor de laattijdige teruggave. Zercons kruiperige excuses vermurwen haar terug ietwat, maar ze is direct terug verveeld als Lühü haar vragen begint te stellen over een “naamsverandering”. Hij wil namelijk dat de umlauts op zijn naam “metallique” worden en niet meer in zwarte inkt worden gespeld. Hij toch immers een priester van Voltooiing, nietwaar? Carlotta zegt kort dat inktkleur juridisch totaal irrelevant is en verdwijnt terug samen met de Sfumati.
Aangezien iedereen beseft dat er nog een kleine twee dagen is tot hun bezoek aan de Ambassadeur, neemt de groep wat tijd om apart rond te lummelen. Lühü besluit om eens een kerk van Voltooiing te bezoeken om te zien hoe het er echt aan toe gaat in de georganiseerde variant van zijn religie. De kerk in Isla Vecchia behoort echter tot de variant van de Orthodoxie van het Tandwiel (Lühü zelf is een aanhanger van de doctrine van de Zoemende Navigators) en voelt al direct niks dan minachting voor het uitgekiende smeedwerk, de tandwielen, de individueel gesculpteerde stoeltjes en het geluid van raderwerk en een hamer op aambeeld in de kerk. De twee prelaten op wacht, Conio (grijsharig, streng) en Domenico (kalend, innemend), zijn initieel tamelijk vriendelijk tegen Lühü, maar de stemming slaat om als Lühü de kerk afdoet als een “beschutte werkplaats” en de Orthodoxie als de magneet voor “simpele zielen”. Conio zegt dat dat eerder van toepassing is om de “Zoemers” maar Lühü kaatst terug dat “al wat ge zegt, zijt ge zelf” een heel zwakke verdediging is. Het komt net niet tot een handgemeen en Domenico slaagt erin om Lühü zelf te laten weggaan. Daarna bezoekt Lühü diverse marktstalletjes in de buurt om zijn dagvoorraad voedsel en drank in te slaan, en scoort daarbij een erg sterk concentraat koffiepoeder.
Zercon dan weer besluit om nog eens het Teatro Silenzio te bezoeken. Onderweg is hij aan de Galgen getuige van een executie via scaphisme van een klein elfs meisje voor jodelen naar een enorm stuk stront. Hij laat het verbouwereerd passeren. Als hij aankomt in he Teatro, vraagt hij aan Vulponia of ze daar nog eens open staan voor een optreden van de Foef Fighters. En dat zijn ze zeer zeker. Het bericht wordt doorgegeven aan Fabrizzio (die zich niet laat zien en zich volgens Vulponia de laatste dagen erg gedeisd houdt) en via hem aan Don Diplodoco. Zercon blijft rondhangen in de tent om iets te eten en te drinken en besluit het optreden van de avond bij te wonen: een Siamese tweeling met brandende hoeden en een babydraak met sokken waarop googly eyes gespeld zijn die een politieke speech zal houden. Aan de bar raakt hij aan de praat met de orkse Gianetta, die er aan de voorkant als een perfect specimen van haar etnie uit ziet, maar haar rug is opengepeld met haken, waaronder haar vlees onrustig beweegt en een vage lichtbron bevat. Niettemin is de satyr meer opgewonden dan afgekeerd, en er komt seks van. Die seks is al met al vrij bevredigend. Intussen is dit nummer drie in Zercons bodycount op de campagne.
De Siamese tweeling blijkt uiteindelijk een vrij flauwe gimmick te zijn en het publiek reageert lauwtjes. De babydraak is echter andere koek: niet alleen is het een roze draak (met de naam Saponito), de act is ronduit briljant. Eén sok aan zijn klauwtjes heeft een gouden lintje om en moet duidelijk de Gouden Prins voorstellen, en de andere sok heeft een witte lap stof om die de Ambassadeur moet voorstellen. Saponito laat beide sokken nonsensicaal “debatteren” met elkaar. Het hoort eigenlijk niet om twee autoriteitsfiguren van zulk een kaliber zo belachelijk te maken, maar het publiek is erg geamuseerd. Op het einde van de voorstelling veert Zercon overeind in applaus, en de rest van het publiek volgt hem algauw. Nadien gaat hij informeren of hij meer kan te weten komen over deze performer. Vulponia weet er niets over, maar regelt een ontbijt met Don Diplodoco de ochtend erop.
Terwijl Zercon gaat slapen, tuimelt Lühü ook binnen in het Teatro, stokstijf van een dikke lijn cafeïnepoeder die hij zonet heeft opgesnoven. Hij brengt de nacht door in de gelagzaal, hoekig gecontortioneerd, met stijve kaakspieren, in zichzelf telkens zijn woorden herhalend. Als Zercon – en de rest van de Gourmands, die de ochtend erop ook komen binnendruppelen – zijn kameraard zo aantreft, vindt hij er niets beters op dan het meest suikerige drankje te bestellen aan de toog: de Koffie van de Consigliere. Het suikergehalte helpt Lühü wel, maar de extra cafeïne maakt de zaken enkel erger. Aldus gaan ze de speciale lift binnen naar de vertrekken van Don Diplodoco. Ze kwakken in een bad mayonaise. Don Diplodoco verontschuldigt zich vanachter zijn gigantische, half-cirkelvormige bureau weer omstandig voor de “malfunctie” en biedt de heren croissants aan. Hij zegt dat de Foef Fighters woensdagavond kunnen optreden als top of the bill die avond. Op vraag van Zercon moet de obese patron van de wijk toegeven dat hij zelf ook haast niets weet over Saponito – de impresario’s van de Don vonden hem als straatperformer, en hij vloog weg van zodra zijn optreden voorbij was. Indien hij meer te weten komt over de roze draak, belooft hij om Zercon ook op de hoogte te stellen, want hij deelt zijn mening dat het een uitzonderlijke artiest is. Zercon droomt al van een duo te vormen met Saponito. Intussen zit Lühü te bibberen en te beven terwijl hij het laatste van zijn Koffie van de Consigliere leegt. Don Diplodoco heeft door wat er aan de hand is en met enig mededogen besteedt hij dan ook weinig belang aan de wartaal die de elf uitslaat, of hoe hij telkens zijn verhaal verandert als de Don begint te informeren naar de band van de groep met de Ambassadeur en hen verbindt met de geruchten over wat er onlangs gebeurd is in Giordano’s Brandende Wijk. Hij verzekert de Gourmands ervan dat de dood van visconte Durolege wellicht geen gevolgen zal hebben aangezien de Ambassadeur daarna bijna letterlijk zoete broodjes met de heren is komen bakken. Hij denkt dat het nog even zal duren eer er een nieuwe visconte aangesteld wordt voor de wijk: Il Parliamento moet daarover beslissen. Hij geeft eveneens spijtig toe dat er in sommige wijken van Alagadda inderdaad gewelddadig racisme kan optreden jegens buitenlanders, zeker in de armere buurten of de plekken die verder af liggen van de havens.
Bij het buitengaan bazelt Lühü zijn ontmoeting na met Conio en Domenico, waar eerder met schouderophalen wordt gereageerd. Inmiddels is het rond de middag, en de groep begint zich op te maken voor hun serata bij de Ambassadeur – en Zercon voor zijn date met Marco Grillo bij Succi. Hij trimt zijn bakkebaarden en oliet zijn hoorns in. Nestor zal eerst Zercon tot bij Succi brengen en dan met de rest naar de manse van de Ambassadeur varen. Daarna moet Zercon maar te hoef aansluiten.
Zercon en Nestor arriveren stipt op tijd aan Succi, een uit zijn krachten gegroeid, raamloos gebouw, omgeven door een cirkelvormige colonnade. Op de muren zijn diverse fresco’s aangebracht: de Ambassadeur die alchemie leert aan wetenschappers uit Codìjo, de zeemachten van Alagadda en Luvignon die samen een bleke leviathan verslaan, de Gouden Prins arm in arm met een elfse vorstin, twee verkenners – één uit Alagadda, een andere uit Rhaxos – die een grot verkennen, barden van diverse herkomsten die afstuderen aan de Universiteit van Gefluister, en een laatste scène die Nestor weigert te benoemen (het is een edelman die een geschenk krijgt). Zercon stapt binnen. Alles wordt zwart en hij ziet enkel gouden letters voor zich uit dansen: “Lasciate ogni modestia voi ch’entrate” en wordt begroet door een wat achterlijk overkomende gouden golem. Hij zegt dat hij een afspraak heeft met “Marco Grillio”, die uiteraard niet geregistreerd is. De satyr corrigeert zijn vergissing, maar krijgt dan te horen dat Marco Grillo inderdaad een boeking had gemaakt, maar die afgezegd heeft. Teleurgesteld druipt Zercon af, maar hij heeft ook een moment van zelfreflectie over al die keren dat hij zelf niet op dates is komen opdagen. Is dit hoe hij soms anderen deed voelen? In een soort van deurenkomedie passeert de rest ook nog eens bij Succi om Zercon “op te pikken”, maar hebben ze een gelijkaardig gesprek met de slome golem (slolem?).
Uiteindelijk slagen ze er toch in om allemaal ongeveer tegelijkertijd aan te komen bij de manse van de Ambassadeur, gelegen in de wijk genoemd naar zijn eponieme Tuinen. De manse heeft een kleurrijke façade met kunstige glas-in-loodvensters en kleine balkonnetjes, en heeft voorbij de openingsboog een ruime binnenplaats. De manse is gehakt uit de rots van een klein plateau, waarop de eigenlijke tuinen gevestigd zijn. Van onder de impressionante boog komt een geblokte man in groen fluweel en met witte handschoenen de groep begroeten terwijl Thormund de Karnende Kelk met een klap laat neerdalen op de straat. De man introduceert zich als majordomo Luigi. Hij heeft een rijkelijk welvende snor waar hij veelvuldig aan draait. Terwijl hij zijn mensen de Kelk laat beveiligen en binnenslepen, neemt hij de Gourmands op sleeptouw.
Luigi legt uit dat de Gourmands wat eerder zijn gevraagd dan de andere gasten op de serata omdat de Ambassadeur wilde dat ze een rondleiding kregen door de manse en voordien nog even privé konden praten. Zercon vraagt een beetje nerveus wat de gebruiken zijn op een avond als deze om niet onbedoeld een faux pas te maken. Luigi verzekert hem ervan dat de Ambassadeur gewend is aan “buitenlandse gebruiken” en dat universele elementaire beleefdheid wellicht goed genoeg is. Hij troont de groep mee voorbij de binnenplaats en een trap op naar de eerste verdieping, waar de kunstkammer van de Ambassadeur huist, een collectie zonderlinge geschenken die hij over de eeuwen heen heeft verzameld. De Gourmands vergapen zich onder andere aan: een groot schilderij van de doge van Cantazzo die afgevuurd wordt uit een kanon; een gescheurd tapijt dat de ophanging afbeeldt van een ongelooflijk stuk stront; een muziekboek van een elf met een half gezicht; bestek en borden waar rottende zombies met syfilis en juwelen op afgebeeld zijn; een kunstig zakhorloge met een afbeelding van de meest geliefde kinderprostituée van Gração; en een biografie geschreven door “je ergste nachtmerries” die stinken naar vis. Luigi geeft wat uitleg waar gevraagd. De groep blijft nog even stilstaan bij een portret van bleke leviathan, vastgezet in een doorzichtige container urine. Daarna gaat het een verdiep naar boven, naar de salons van de Ambassadeur.
De Ambassadeur, gekleed in verblindend, feestelijk wit, met een masker dat enkel zijn rictusgrijns laat zien, zit al te wachten op de Gourmands. Er staan precies vijf stoelen klaar voor de bezoekers in de overweldigend, protserig gedecoreerde, roccoco-achtige kamer. Hapjes en drankjes staan eveneens klaar op een zilveren tafel. “Die Ambassadeur kan tellen,” merkt Lühü op. De Ambassadeur gebiedt zijn gasten te gaan zitten en betaalt allereerst de beloofde som voor de Karnende Kelk. Hij is tevreden over het werk van de Gourmands en maakt vage beloftes dat als ze dit al allemaal kunnen op een week tijd, ze nog van groot nut kunnen zijn voor hem in Alagadda. Hij spreekt samenzweerderig de hypothese uit dat de diefstal van de vier relicten geen toeval was, en wellicht inmenging van een macht van buitenaf om met de objecten een “groot probleem” voor Alagadda te creëren. Hij heeft niet direct een idee wie die macht kan zijn – het zou extraplanair kunnen zijn, maar net zo goed een rivaliserende stadstaat als Luvignon, Czarkhav of El Ghariba. Zercon merkt op dat Alagadda wel “erg veel vijanden heeft” maar de Ambassadeur haalt de schouders op: “er zijn altijd wisselende constellaties van bondgenootschappen en vijandschappen”. Lühü biedt de Ambassadeur wat aan zijn cafeïnepoeder, maar de Ambassadeur haalt daarop zijn eigen snuifdoos boven. De heren delen een goeie snuif cafeïne. De Ambassadeur biedt de Gourmands als toemaatje nog een cadeau aan: een verblijfsvergunning voor een maand, met onbeperkte toegang tot alle wijken van de stad.
Daarop stijgt het gezelschap nog een verdieping de trappen op en toont de Ambassadeur, die intussen vergezeld is van zijn lijfwacht Voldo (die Nestor zichtbaar ongemakkelijk maakt) zijn alchemielaboratorium. “Zie je, ik ben zelf ook een beetje een wetenschapper,” zegt hij tegen Lühü. Het lab ziet er inderdaad indrukwekkend uit, en brandschoon toe. Ze gaan dan verder de trap op en passeren de balzaal, die met grote vensters uitgeeft op de tuinen van het plateau zelf. Het is inmiddels bijna volledig donker, maar de Gourmands herkennen in de verte de plaats waar ze aankwamen in Alagadda via het portaal in de Toren van Overdaad. Het lijkt zo lang geleden, hoewel ze hier nog maar een dikke week zijn.
Hun eindhalte is de eetkamer, gedomineerd door een lange tafel waaraan de andere gasten al zitten te tafelen. Die hebben zonet het aperitief en de soep achter de kiezen. Lange vensters bieden een uitzicht over de wijk en het rotsplateau, en veelkleurige lusters werpen gezellige lichten over de kamer. Op het einde staat een grote, mahoniehouten deur op een kier naar een balkon en stroomt koele avondlucht binnen. Tijdens het diner slagen de Gourmands erin zich wonderwel als beleefde gasten te gedragen en raken ze in gesprek met de andere invités. De Ambassadeur heeft dit gezelschap samengeroepen omdat hij denkt dat zijn Alagaddaanse gasten mogelijk ook gebruik kunnen of willen maken van de diensten van de Gourmands. Sommige gasten zijn vrij direct en bespreken al snel openlijk waar ze op uit zijn:
- De bankier Bruno Rosa, die een opmerkelijke bril draagt met roze glazen, werkt voor Banco Santo en biedt de Gourmands aan om hun persoonlijke bankier te worden. Hij heeft eventuele deals in petto met interessante financiële producten.
- Vicenza L’Onda, met vuurrood haar en gekleed in een battle dress, is de tweede in rang in het leger van Alagadda, met enkel de legendarische Il Condottiere boven zich (zijn echte naam is Fabio Graziano, het co-hoofd van één van de acht Grote Huizen, huis Graziano). Vicenza vermoedt dat de Goudjassen van het Lege Kwartier deloyaal zijn geworden en onder één hoedje spelen met de Zwartjassen van het Leprozeneiland. Zwartjassen zijn in ongenade gevallen Zilver- of Goudjassen. Ze wil weten wat daar gaande is, en buitenstaanders vormen mogelijk betere onderzoekers dan dat ze intern aan de boom schudt.
- Aldo Lidello is een geblondeerde, dikke half-ork die uitgebreid zijn eigen lof zingt. Hij bestiert de Armentoren in de Lege Wijk en bezit een uitgebreid vastgoedimperium (“het beste, meest grote”). Hij gedraagt zich bruusk en recht voor de raap. Hij wil zowel La Taverna Grande als de Vleesput overkopen en denkt ook aan uitbreidingen in La Galeria. Hij moet al vrij vroeg weg, maar belooft nog om zijn dochter Alberta naar de groep te sturen.
- Francisco Bizzarro, aan zijn accent te horen duidelijk iemand uit Codìjo, is de vicerector van de Universiteit van Gefluister, en hoopt al even het probleem op te lossen van de Muntenwaterval, een vervloekte fontein die constant munten spuwt, maar iedereen die ervan probeert te nemen wordt op slag zo achterlijk als een rund. De munten lossen nadien op in het water.
- Gianna Sforzanda, die initieel erg zwijgzaam is maar naderhand aan één groepslid vertelt dat ze hoopt om uit te vissen wat er gaande is in de Kathedraal van Leegte, een kathedraalvormige plek in het midden van de Lege Wijk, die vervloekt is. Daardoor is ook alle water in de wijk compleet doorzichtig. De Kathedraal is enkel toegankelijk voor mensen die niet in Alagadda geboren zijn (of al meer dan 50 jaar weg zijn), dus de groep is geknipt om op onderzoek uit te gaan. Gianna is de eigenaar van de taverne Het Absolute Avondmaal (“wij zullen wel beslissen hoe absoluut dat is,” monkelt Lühü). Sforzanda is zelf overigens ook van adel, maar van een Majeur Huis, niet van een Groot Huis.
- De Ambassadeur zelf heeft besloten dat Camaborn en zijn bende best verdwijnen uit Alagadda. Ze hebben al meer dan genoeg problemen veroorzaakt. Een zachte oplossing is om hen terug naar Lluskan te krijgen, maar hij is zeker ook niet vies van een meer permanente oplossing. Hij geeft de Gourmands drie dagen bedenktijd.
- Alba Bianchi is een wat stugge drow en het hoofd van Huis Bianchi, één van de acht Grote Huizen. Ze bestuurt de wijk van La Galeria samen met Geraldo Graziano. Alba zit diep in de zakenwereld en heeft een gloeiende hekel aan Aldo Lidello: ze wil hem en zijn familie uit de weg geruimd zien.
La Marchesa tenslotte is de meest hooggeplaatste gast van de avond: ze staat aan het hoofd van Huis Ravini Di Neri, één van de acht Grote Huizen. Ze heeft een bestudeerde, charmante nonchalance die in alle poriën “aristocratie” schreeuwt, en neemt Zercon bij haar zijdezachte hand naar het balkon. Tussen hen creëert ze magisch een bubbel waarin geen enkele andere magie kan doordringen. Eerder had de satyr al door dat La Marchesa de Ambassadeur haat (dat gevoel is vreemd genoeg niet wederzijds). La Marchesa heeft een hele lijst aan wensen:
- Ze wil weten wat er gaande is op het Leprozeneiland
- Ze wil weten waarom Alba Bianchi zich zo beschermend opstelt jegens een gewoon meisje met de naam Ariana
- Ze wil weten waarom Bruno Rosa vaak in alle discretie en in vermomming La Galeria Grande bezoekt
- Ze wil weten waarom de Ambassadeur Camaborn en zijn kameraden dood wil
- Ze wil Aldo Lidello en zijn familie dood: ze vindt “die parvenu” een schande op het blazoen van Alagadda
Met de magen en hoofden stevig gevuld laat de Ambassadeur tenslotte alle gasten vertrekken tegen twee uur ’s nachts, nadat hij er zich van verzekerd heeft dat iedereen van de avond genoten heeft. Hijzelf zegt eveneens dat hij het een geweldige soirée vond, met zijn intussen bekende, veel te brede grijns. Vermoeid maar voldaan besluiten de Gourmands om hun nachtelijke logies te gaan zoeken in het Absolute Avondmaal, aangezien ze vermoeden dat de Lege Wijk de plek is waar ze de komende dagen wellicht in actie zullen komen.


Reacties
Een reactie posten