Sessie 3 - De gevangenisfilosoof en de vlinders
7-9 september
- Locatie en plaats: bij de DM, 26 maart 2025
- Aanwezig: Lühü, Nestor, Zercon
- Afwezig: Calpurnia, Lardo, Lorenzo, Thormund
Samenvatting: de
groep heeft een onderhoudend onderhoud met Don Diplodoco, de baas van het Teatro
Silenzio, praat met Calaborn en gaan op zoek naar Jub-Jub de Caluwé in
Giordano’s Brandende Wijk. Ze worden één keer echt en één keer fake
gearresteerd en verzamelen vlinders om binnen te geraken in de Luna-toren.
Na een verkwikkende
rust worden onze avonturiers door piccolo’s in de Duivelslift geleid, waar ze
niet voorbereid zijn op een landing in een bad van suikerspin als de liftdeuren
openen en Daya, Lühü, Nestor en Zercon in het vertrek belanden waar Don Diplodoco
het Teatro Silenzio bestiert. Don Diplodoco is een enorm obese drakenling met
een goed humeur. Vanuit een muurbreed zijvenster heeft hij altijd zicht op het
eigenlijke theater, en na korte verontschuldigingen voor de landing in
suikerspin (“magie die wat misliep, het had ook mayonaise kunnen zijn!”) laat
hij de heren een uitgebreid en lekker ontbijt bestellen door de voortdurend
rondrennende piccolo’s.
Na de Foef Fighters te
feliciteren met hun uitstekende optreden, verzekert hij hen dat hij hen graag
nog eens wil zien optreden in zijn zaal, en vraagt hij nieuwsgierig naar hun
herkomst. De mannen geven redelijk vage antwoorden en vragen lauw of hij
Camaborn en Marek kent, waarop Don Diplodoco enthousiast de lof zingt van Marek
en zijn harp, maar dat hij en Camaborn jammer genoeg ruzie hadden gekregen en
dat hij Marek hielp wegglippen naar het Rottende Moeras. Nestor en Zercon
willen graag weten wat er zoal nog het te bezoeken waard is in Alagadda. Don
Diplodoco lijst een aantal plaatsen op, waaronder enkele die de groep met hun
huidige visum nog niet mag bezoeken: de Gouden Vinger (het grootste casino van
de stad), L’Essorbitante (een gladiatorenarena, circusren en theater in één “maar
veel commerciëler”), La Bellezza (een balzaal), de Verkruimelende Dokken (een
behekste wijk) en de Lege Kathedraal (een leegte midden in de Holle Wijk waar
enkel niet- Alagaddanen in kunnen maar waar nog niemand uit teruggekeerd is).
Verder verzekert Don
Diplodoco de Foef Fighters dat hij hen nog wel eens wil laten optreden en dat
ze in dat geval op zijn kosten gratis de luxesuite van het hotel kunnen
betrekken. Voor ze afscheid nemen legt Zercon nog voorzichtig het complot van
Ringmeester Fabrizzio uit aan de obese patron, waarop Don Diplodoco zucht en
zegt dat hij al zijn vermoedens had – hij zal er zelf wel mee dealen, met enige
tegenzin, want “Fabrizzio is goed in zijn job”. Lühü vraagt ook nog naar het
lot van Pagliacci, en uit de antwoorden van Don Diplodoco blijkt dat het hem
eigenlijk niet zo veel kon schelen, maar dat de clown tenminste stierf zoals
hij leefde, op het podium. Diplodoco spreekt ook Pagliacci’s naam verkeerd uit.
De heren verlaten het kantoor van de Don en belanden vanuit de lift in een kuip
stront. Ze worden gelukkig snel afgewassen door de alomtegenwoordige piccolo’s.
De groep neemt de Sylvia
vervolgens naar het kleine kapelletje van I Fratelli in de wijk om op bezoek te
gaan bij Camaborn. De achterdochtige pater laat hen binnen in het bescheiden,
witte gebouwtje, dat dwergachtig lijkt tussen de woonkazernes in. Ook binnen
heerst een sfeer van soberheid en zelfgekozen armoede, en de pater leidt de
mannen naar het kleine kamertje waarin Camaborn zijn intrek heeft genomen. De
elfenprins begroet hen vriendelijk. Achter hem is er een open deur naar een
fris binnentuintje. Camaborn is enigszins geïntrigeerd door Nestor en denkt
zoals zovelen dat hij een Alagaddaan is, maar Nestor zegt van niet. Hij vraagt
dan aan de anderen hoe ze naar Alagadda geraakt zijn – eveneens via de Toren
van Overdaad – en wil dan weten wat ze hier komen doen. Nestor zegt dat ze hem
komen halen op last van zijn moeder. Camaborn grimast en zegt dat hij hier nog
een tijd wil blijven, omdat alles hier zo enorm interessant is. Bovendien weet
hij zelfs niet hoe hij terug naar Toril zou kunnen raken zelfs als hij
het zou willen. Lühü vindt dat Camaborn tenminste tijd zou kunnen maken om “met
zijn moeder te bellen”, waarop de prins de andere elf arrogant toebijt dat hij
zich niet te moeien heeft met zijn privéleven, maar Lühü blijft bij zijn standpunt.
Om de sfeer wat te
ontmijnen vraagt Zercon aan Camaborn hoe hij en zijn vrienden Alagadda tot hier
toe hebben ervaren. Camaborn vertelt dat ze aangekomen waren in de Tuinen van
de Ambassadeur maar direct slaags raakten met de huiswacht van de Ambassadeur
en zich een weg naar buiten moesten vechten. De Ambassadeur zocht hen later
zelf op en excuseerde zich, maar nam direct Khomm in de arm om te werken “aan
een geneesmiddel tegen de Bruine Plaag” op het Leprozeneiland. Voor zo ver
Camaborn weet wordt Khomm goed behandeld en werkt ze samen met de befaamde
dokter Salerra. Minder leuk was echter dat de Ambassadeur ook de oger Bortrond
rekwisiteerde om te werken in de Arsenale aan wapens – Bortrond is een
briljante smid, maar voor de rest mentaal gehandicapt. Uit woede probeerden de
aasimar Hala en de barbaar Olaf Ulfsson hem te bevrijden, maar dat mislukte
wellicht. Camaborn, Marek en Jub-Jub waren intussen uitgenodigd op het Palazzo
van de Gouden Prins, waar Jub-Jub eigenhandig vier relikwieën ontvreemdde
middels tovenarij om ze te laten onderzoeken aan de Universiteit van
Gefluister: de Zijden Sluier (waar Camaborn oorspronkelijk voor gekomen was),
de Karnende Kelk (waar Marek voor gekomen was), de Zielenspecerij en de
Glinsterende Viaal. Camaborn en Marek waren kwaad op Jub-Jub, vooral toen bleek
dat na zijn passage aan de Universiteit enkel de Zielenspecerij daar was
gebleven.
Tijdens Mareks
optreden bij Teatro Silenzio dook de Glinsterende Viaal terug op, hem
toegeworpen door zijn grote fan, Elvira de Eénogige. Omdat hij daarop genoeg
had van al het drama, ging Marek mokken in het Rottende Moeras. Camaborn ging
van de weeromstuit zelf mokken bij I Fratelli. Waar de Karnende Kelk zou kunnen
zijn heeft hij het raden naar, maar hij heeft wel gehoord dat Jub-Jub nog
steeds in bezit is van de Zijden Sluier en laatst gezien is in Giordano’s
Brandende Wijk. Intussen heeft Camaborn zelf zijn interesse in het artefact
opgegeven, maar is hij wel terug voldoende gekalmeerd om te proberen zijn
vriendschap met zijn kameraden te herstellen. Hij weet ook dat de Bowel Rangers
Olaf hebben bevrijd en Olaf en Marek zich mogelijk al herenigd hebben.
De mannen overleggen op de gang wat ze gaan doen. Suggesties variëren van Camaborn gevangen te nemen of de elfenprins een goed pak slaag te verkopen, over de Glinsterende Viaal te gaan zoeken bij de Bowel Rangers, een bezoek te brengen aan de Universiteit van Gefluister tot de Brandende Wijk in te trekken om Jub-Jub te lokaliseren. Uiteindelijk wint het laatste idee het pleit. Camaborn neemt laconiek afscheid van de heren en verzekert hen dat ze elkaar nog zullen kruisen. Hij waarschuwt hen ook om de Ambassadeur niet te vertrouwen.
Op de Sylvia
varen Zercon, Lühü, Nestor, Thormund en Daya de Brandende Wijk in. Het brandt
er niet, maar het voelt er wel heet aan, alsof er net een enorm kampvuur is
uitgebrand. Er zijn weinig mensen op straat en alle deuren zijn dicht. De hemel
hangt laag en is van een vuil soort oranje. Het voelt alsof de tijd hier
stilstaat. Uiteindelijk bereiken ze met de gondel toch een open deur: Il
Terrario, een theehuis annex kruidenzaak. De uitbaatster, die zich voorstelt
als Giada Verdi, is het eerste vriendelijke gezicht dat ze deze namiddag tegenkomen
en zal ook het laatste blijken. Ze is een bescheiden maar welwillende vrouw van
middelbare leeftijd. In het kleine etablissement zit ook een enorm gespierde
gnoom met een baard-zonder-snor die Bodo heet en opschept over zijn meester,
Comorodo de klokkenmaker. Aan de toog staat een ongeduldige vrouw te wachten op
een bestelling voor haar meester, visconte Gordone Durolege, die hier de plak
zwaait. In de hoek zit een somber ogende kale man met een grijze snor.
Giada schenkt thee en
koffie in voor respectievelijk Nestor en Zercon, en Lühü krijgt een shotglas
oregano. Giada legt uit dat de wijk zijn karakter heeft gekregen door een drama
20 jaar geleden, toen de toenmalige visconte, Giordano, zichzelf in brand stak
na afgewezen te zijn door een burgermeisje met de naam Luisa. Sindsdien is de
wijk vervloekt en is het centrale monument van de wijk, de Luna-toren, die
volledig uit gebrandschilderd glas bestaat, gesloten. De legende zegt dat Luisa
de toren in vluchtte en sindsdien niet meer gezien is. Op vraag van de groep
zegt ze dat ze inderdaad Jub-Jub de Caluwé gezien heeft, en dat hij probeerde
om de Luna-toren binnen te raken. Sindsdien is hij verdwenen.
De groep gaat dan op
bezoek bij het Hard Clock Café, na Bodo’s gepoch over dat zijn meester zelfs “tijd
kan stoppen” maar benadrukt dat Comorodo geen gasten duldt die zelf “geen
respect voor tijd” hebben. De deur is gesloten maar door het venster zien ze
duidelijk dat de oude halfling aan het werk is. Lühü klopt bewust a-ritmisch
aan, en Comorodo kijkt verstoord op. Hij roept vanop zijn werkbank dat ze weg
moeten gaan. Lühü doet onverdroten verder, waarop Comorodo een zendsteen
vanonder zijn werkbank haalt en zegt dat hij de Zilverjassen gaat oproepen.
Onze helden besluiten
de klokkenmaker niet langer te tergen en gaan terug de gondel op om nog eens
een kijkje te nemen bij de Luna-toren. Op de intersectie tussen het Beurskanaal
en het Lazulikanaal worden ze echter opgewacht door drie gondels vol
Zilverjassen, die het viertal arresteren (Nestor niet) in naam van visconte
Durolege. Ze besluiten zich niet te verzetten en laten zich naar de Poort van
Giordano voeren. Nestor blijft achter bij de Sylvia terwijl Zilverjassen
de andere vier naar binnen leiden en de trap op leiden tot bij de visconte, die
in zijn ruime studeerkamer zit. Op het bureau voor hem liggen opengeslagen
boeken en kaarten. Gordone Durolege is een donkere man met zwart haar, duur
gekleed, en leunt op een lange, elegante staf met één hand. Hij ziet er erg
ziek uit. Hij zegt onmiddellijk tegen de groep dat hij geen buitenlanders in
zijn wijk wil en dat ze per direct moeten vertrekken tenzij ze in de gevangenis
willen belanden – hij heeft recent erg slechte ervaringen gehad met buitenstaanders.
Van de huidige groep ergert vooral het gedrag van Lühü hem, dat hij respectloos
vindt ten aanzien van zijn autoriteit. Als Zercon echter zegt dat ze werken in opdracht
van de Ambassadeur, verandert Durolege’s teneur direct, al dreigt hij ermee dat
als Lühü nog één woord zegt, hij hem de nor in draait. Vanaf dan drukt Lühü
zich uit in mime.
Visconte Gordone Durolege
Zercon legt uit waarvoor
ze komen. De visconte denkt dat Jub-Jub op één of andere manier in de
Luna-toren is geraakt. Zelf probeert hij al jaren vruchteloos om er ook binnen
te geraken. Vroeger was het een semi-religieuze hal voor artiesten en kunst.
Hij weet net als iedereen in dit kwartier dat de eerste sleutel om er binnen te
raken vier vlinders zijn van elk een verschillende kleur: marmer, bloedrood,
houtskool en goud. Daarmee kan de groep alvast beginnen. Hij zegt dat Il
Terrario vlinders verkoopt en dat de wijk ook twee bekende vlinderdeskundigen
heeft: Antonio, die gevangen zit, en il dottore Scaglietti, zijn eigen lijfarts.
Zercon komt dan op het idee om hem, Thormund, Daya en Lühü hardhandig te laten
buitengooien voor de show, zodat de bevolking niet denkt dat ze voor de
visconte werken. Durolege gaat akkoord, en zijn lakeien Alana en Dante voeren
de taak met veel sadistisch genoegen uit.
Intussen is het al
laatavond en het wordt donker. Het al heel beperkte gondelverkeer in de wijk
valt zo goed als stil, en er lijkt nergens echt een hotel te zijn. Terugkeren
naar Teatro Silenzio zou uren tijd kosten. Met tegenzin overnachten ze op de
gondel. Tijdens zijn wacht kijkt Nestor in het water – hij merkt dat het wat
gevaarlijker uitziende kanaalleven de gondel mijdt. De volgende dag merkt hij
hetzelfde bij de andere gondels die behoren tot het Covenant van de Spooklantaarns.
De groep vaart terug naar Il Terrario en ontbijt er met koffie, thee en in Lühü’s
geval een shotje kurkuma (“authentiek uit El Maksour!” zegt Giada erbij). Ze
kopen er ook een vlinder met een marmerpatroon, die ze overhandigd krijgen in
een klein stolpje, samen met een zakje voedsel. Nestor neemt het diertje direct
in bescherming.
Zercon knoopt een
gesprek aan met de oude man die er gisteren ook zat – hij is Grigio, de nog
steeds rouwende vader van de verdwenen Luisa. Het wordt een ontroerend gesprek.
Grigio kan hen niet helpen met de vlinders, maar hij weet meer over hoe men de
Luna-toren kan bereiken en nodigt hen uit om ’s nachts naar het Cimitero delle Fiamme te komen, waar hij vlakbij woont als pachter van het kerkhof. Hij zegt
cryptisch iets over een “rune van rouw” en dat “de tijd misschien gekomen is”.
Over Jub-Jub weet hij niets. Qua vlinder-deskundigheid raadt hij aan om een
bezoek te brengen aan Antonio in de gevangenis.
Eerst gaat de groep
nog op bezoek bij dokter Scaglietti. De deur staat open, en de man is bezig een
tinctuur aan het bereiden. Hij laat hen nauwelijks uitspreken en zegt dat hij
hen enkel wil helpen als hij de persoonlijke lijfarts van de groep kan worden
aan 300 goudstukken per jaar. Dat vinden ze te veel en ze trappen het af. Nadien
blijkt dat de groep het gerust kon betalen en dat vooral Nestor redelijk
bemiddeld is. Zercon valt van de ene verbazing in de andere: Lühü en Nestor
hebben zich op voorhand goed laten betalen door Camala barones Alabaster. Bij
de satyr kwam het zelfs niet op om geld te vragen, dus hij heeft ook
nougatbollen gekregen. Die initiële missie lijkt overigens ook niet zo
belangrijk meer aangezien Camaborn niet terug wil en niemand weet hoe ze dat
zelfs zouden moeten flikken.
De gevangenis blijkt
een guur uitziend gebouw dat twee verdiepingen boven het wateroppervlak
uitsteekt en enkel toegankelijk is per gondel. Voor één koperstuk mag een
gevangene bezocht worden voor 5 minuten, tenzij die ter dood veroordeeld is.
Omdat Zercon de smoothste talker is van de groep, wordt hij afgevaardigd om met
Antonio te praten. Op de achtergrond blijft een Zilverjas meeluisteren. Antonio
is direct geïntrigeerd door Zercons verschijning. Ze praten door de tralies
heen. Antonio is een “vaste klant” in de bajes omdat hij zijn mond niet kan
houden en de visconte telkens ergert, maar het blijkt een erg rustige, zelfs
filosofische man te zijn. “Ik zit misschien wel in de gevangenis, maar in mijn
hoofd ben ik altijd vrij.” Hij raadt al snel dat Zercon en zijn vrienden de
Luna-toren willen binnenraken, zoals zovelen. Antonio wil hen wel helpen, maar
zijn vlindertuin is thuis. Met toenemende potsierlijke metaforen suggereert Zercon
ontsnappingspogingen, maar Antonio moet in toenemende mate doen alsof hij die
niet begrijpt, want de cipier staat daar nog altijd. Hij wil eveneens zijn
adres niet geven en is zelfs lichtjes gestoord dat Zercon zelfs maar suggereert
dat hij wildvreemden in zijn huis wil laten inbreken.
Eens terug op de
gondel discussieert de groep over wat hun opties nog zijn. Niemand heeft zin om
dokter Scaglietti te betalen. Antonio uitbreken wordt overwogen, maar dan zou
de toorn van de visconte over hen laten neerdalen. Omkoping is een derde piste,
maar aangezien de groep overduidelijk bestaat uit krenten eersteklas, lijdt dat
idee een onmiddellijke dood. In toenemende mate vormt zich een consensus om de
visconte aan te spreken en Antonio vrij te laten in het belang van hun
onderzoek voor de Ambassadeur. Ze peddelen terug naar de Poort van Giordano,
waar ze zich aanmelden en vragen naar Alana en Dante om hen fake te arresteren.
Durolege’s flunkies laten zich dat geen twee keer zeggen en slepen de vier (dus
minus Nestor) hardhandig de trappen op. De visconte zit weer in zijn
studeerkamer. Hij denkt het zijne over de competenties van de vreemdelingen die
de Ambassadeur heeft ingehuurd om het probleem van de Zijden Sluier op te
lossen, maar hij gaat akkoord om Antonio vrij te laten – het is niet alsof
Antonio gaat weglopen uit de wijk en de visconte weet hem wonen. Op theatrale
wijze wordt de groep weer naar buiten geschopt maar buiten kleine blauwe
plekken houdt niemand er iets aan over.
Met de officiële vrijbrief
van de visconte en zijn zegel laten de zilverjassen Antonio snel gaan. Hij
neemt hen mee naar zijn huis, waarbij Lühü het niet kan laten te herhalen dat
ze nu “zijn huis weten wonen”, wat Antonio maar een rare opmerking vindt, en
ook lichtjes dreigend. De toon verandert echter helemaal als ze bij hem thuis
zijn en hij de drie resterende vlinders vanuit zijn tuin verkoopt – hij zegt dat
hij het niet apprecieert dat ze nu voor de visconte werken, ook al beweert de groep
bij hoog en bij laag dat ze maar doen alsof voor een groter doel. Dat zijn
praatjes die Antonio nog al heeft gehoord. Hij stuurt hen wandelen en wil
verder niets meer met hen te maken hebben.


Reacties
Een reactie posten