Sessie 2 - De Foef-Fighters
6 september
- Locatie en plaats: bij de DM, 21 maart 2025
- Aanwezig: Lühü, Nestor, Thormund, Zercon
- Afwezig: Calpurnia, Lardo, Lorenzo
Samenvatting: de groep bereikt het Teatro Silenzio, waar ze al snel meegezogen worden in de lokale intriges. Thormund spot hoe Olaf Ulfsson bijna geëxecuteerd wordt maar gered wordt door de mysterieuze Bowel Rangers. Ze ontdekken dat Marek twee weken geleden heeft opgetreden in het Teatro, er de Glinsterende Viaal toegeworpen kreeg en ruzie kreeg met Camaborn. Zercon treedt op met de ‘Foef-Fighters’ en fight daarna de foef nog eens in een bisnummer.
Met Nestor die zijn gondel, de Sylvia,
stuurt, glijden Lühü, Thormund, Zercon en Daya mee Alagadda in. Het valt
Nestor op dat hij instinctief de weg kent over de kanalen – Lühü merkt dat op
maar Nestor kan niet uitleggen hoe hij die kennis heeft. Andere gondolieri, die
vreemd genoeg dezelfde kleren dragen als Nestor, begroeten hem vriendelijk,
collegiaal. Hij groet ze maar terug. Het is tamelijk druk op de kanalen en het
valt op hoe divers de bevolking in de stad is. De wijk rond de Tuinen van de
Ambassadeur is evident een eerder chique wijk. De Sylvia passeert aan de
barakken van de Goudjassen en kan vanuit het Halfkanaal ook de imposante
advocatenkantoren zien van Bruno & Leone.
Vanuit het Halfkanaal maakt de gondel een scherpe
bocht naar het oosten en glijdt het op het Zeepaardkanaal. De groep ruikt zelfs
vanop de kanalen de geur van vers fruit en verse groenten – deze wijk heet Isla
Vecchia. Het Zeepaardkanaal komt uit op het Lazulikanaal, het grootste van de
stad, waar zeker 20 gondels naast elkaar zouden kunnen liggen en nog ruimte
over hebben. Hier varen ook grotere boten, en het is er erg druk. In de verte doemt
een enorm indrukwekkend, rechthoekig gebouw op met erg kleine vensters en een
grote, gebogen slang op het dak – Nestor weet dat dit de Slangenbibliotheek is.
Het is het hoogste punt van de Lazuliwijk, genoemd naar het kanaal. Aan de
andere kant van het kanaal ligt Giordano’s Brandende Wijk. Er komt inderdaad
een walm van hitte de opvarenden tegemoet, en er lijkt een gloed uit te komen,
maar er staat zo te zien niet direct iets in brand. De wijk oogt wat treurig en
versleten, en alsof de tijd zelf er letterlijk stilstaat – een vreemde
gewaarwording.
De gondel slaat weer een bocht in en vaart een kleiner kanaal binnen: het Tranenkanaal. Aan hun zuidkant kunnen ze daar al de Wenende Wijk zien, en kijkt de groep zijn ogen uit op het straatentertainment op de kades. Een greep uit het aanbod: elf-en-een-half naakte halfelfen die een vigoureuze squaredance uitvoeren rond een politieke speech; een babydraak die vermoeid probeert om ‘Othello’ op te voeren uit zijn eigen anus; discus-werpende boksers, een dronkenman bedekt met bijen, een show cook verkleed als een boom en een elvish impersonator die suggestief zijn heupen beweegt op ‘le Sacré du Printemps’ met een hete stripper. De groep passeert ook voorbij een grimmig kunstmatig eiland waar de kanalen rond buigen: de Galg, waar geadverteerd wordt dat er “elke dag” een executie te zien is. Uiteindelijk bereikt de Sylvia via het Vuurkanaal tenslotte Teatro Silenzio, dat eruit ziet alsof het ooit allemaal verschillende gebouwen waren.
Ze stappen binnen en worden onmiddellijk
begroet door een vrouwelijke kitsune die zich voorstelt als Halmeesteres Vulponia.
Ze herkent onmiddellijk dat de vreemdelingen uit Toril zijn en verwelkomt hen
hartelijk, met de opmerking dat hier precies weer meer Torilianen lijken te
komen. Onmiddellijk begint de groep vragen af te vuren op de halmeesteres en
haar enthousiasme tempert wat, vooral door Zercons nogal lamlendige
versierpoging. Thormund beseft dat hij hier gewoon in de hal kan in slaap vallen
bij drank en een haardvuur, in de wat sjofele hotelbar gaat toch niemand het
merken. Nestor neemt een kamer maar gaat later Lühü proberen binnensmokkelen,
hoewel kamers maar berekend zijn op één persoon. Nadat ze betaald hebben
stappen Nestor en Zercon in de “hemelse” lift (versierd met allerlei heilige
symbolen) met een piccolo – één van de vele kleine homunculi die tewerkgesteld
zijn in het Teatro.
Zercon komt eerst aan op zijn kamer, dat
ligt op het 33ste en 1/3de verdiep. Hij moet zelf uit de
lift kruipen, die hier kennelijk de deuren in de vloer heeft. Alle deuren
lijken normaal, behalve één piepklein deurtje op de westelijke vleugel.
Gelukkig is zijn deur, van kamer 33, normaal. De kamer zelf lijkt ook in orde,
en er ligt zelfs snoep op hem te wachten. Hij smult het allemaal op. Nestors kamer ligt op de 4th floor brothers’ floor. Buiten de desoriënterende
aanwezigheid van stroboscopen die emaneren vanuit beide uiteinden van de gang
uit gitzwarte duisternis, waar ook beats uit komen, is alles normaal en valt
het geluid van de beats weg eens hij zijn kamer, 42B, betreedt. Ook hij eet
zijn snoepjes op.
De heren gaan terug naar de hal. Nestor
probeert wat nutteloze small talk met de piccolo, die Wadde heet.
Ongemakkelijke stilte. In de hal gaat iedereen drinken. Lühü drinkt zeer
afgemeten, erg flauwe Earl Greymoor-ale, Nestor krijgt een shotje brandewijn
van het huis, Thormund bestelt de zeer gewone Langhauser Bockpilsner en Zercon
gaat direct voor het duurste item op de lijst: sprankelende Sassenois-wijn uit
de stad Sassiens. Lühü bestelt een portie gemengd omdat hij wil zien of Daya
diarree gaat krijgen van de salami (ze krijgt er geen diarree van). Dan volgen
de besprekingen. Kennelijk heeft Marek Blackwave in dit Teatro opgetreden.
Ze zijn nog niet goed en wel aan het discussiëren
of Fabrizzio, de Ringmeester, benadert hen. Hij is een vermoeid ogende halfling
met zakken onder zijn ogen, een spits snorretje, een veelkleurige hoed en een
bril waarvan de montuur van kleur verandert. Hij polst of één van de nieuwe
gasten artiest is en eventueel wil optreden vanavond. Er is wel animo voor,
vooral bij Zercon. Als de groep dan vragen begint af te vuren op Fabrizzio
stelt hij voor dat hij wel wil antwoorden, als ze in ruil zijn baas, Don
Diplodoco, om zeep willen helpen. Fabrizzio vindt namelijk dat de tijd gekomen
is voor een “nieuwe wind” maar wil zijn eigen handen er niet aan vuil maken. De
groep is geschokt en de reactie is nogal chaotisch, vooral Thormund reageert
nogal hard, waardoor Fabrizzio zelf terugschrikt en het afdoet als een grap.
Thormund dreigt er mee vannacht op Fabrizzio te gaan zitten. Fabrizzio vraagt
of Zercon hem wil ontmoeten bij zijn kantoor om halfacht en verdwijnt dan
bliksemsnel.
Vulponia, die gezien heeft dat er
consternatie was, duikt terug op en vraagt of er problemen waren. In
tegenstelling tot Fabrizzio is zij juist gevoelig voor Thormunds directheid en
openheid (met een mokkende Zercon op de achtergrond) en enigszins door de dwerg
gecharmeerd. Vulponia’s ergste vermoeden is voor haar nu bewaarheid: ze denkt al
langer dat Fabrizzio hun baas uit de weg wil ruimen. Ze geeft ook gewoon
antwoorden op de vragen die de groep bezighoudt maar heeft nu geen tijd om dit
publiek te bespreken. Ze vraagt aan Thormund om haar te ontmoeten rond halftien
aan haar kantoor, als de opvoeringen bezig zijn in het Teatro Grando, dat voorbij
enorme grote, dubbele deuren ligt die ook uitkomen op de smoezelige hal.
Met nog wat tijd te doden besluiten de vier
heren wat me-time te nemen. Zercon spreekt willekeurig mensen aan om hem warm te
maken voor zijn act van vanavond, en slaagt er in om heel wat mensen te overtuigen
om te komen kijken naar zijn “variété-act met panfluit”. Nestor probeert ook
hier en daar een babbeltje te slaan, maar hij krijgt eerder verwarde en
afwijzende reacties, alsof hij iets onbehoorlijks aan het doen is of hier
eigenlijk niet hoort te zijn. Hij trekt het zich niet aan.
Thormund en Lühü gaan elk apart naar buiten
om wat verkenningen te doen. Lühü probeert te weten te komen of er patronen
zijn in het gondelverkeer rond het Teatro. Hij slaagt erin één feit te weten te
komen: er gaat zo goed als geen verkeer in oostelijke richting over het Kanaal
van Stilte en er komt ook bijna geen verkeer uit. Thormund van zijn kant volgt
meer uit instinct dan wat anders een patrouille van Zilverjassen – zijn collega’s,
min of meer – en wurmt zich door nog maar een klets bizar straatentertainment,
met onder meer een oude vrouw met een enorme kin die ondersteboven de meest
debiele levensadviezen roept. Mensen vinden het geweldig.
Thormund komt uit bij de Galg, waar een
executie gaat beginnen. Zijn instinct grijpt hem om het tegen te houden, maar
de massa is dicht opeengepakt. Nog voor hij echt iets kan doen, schiet er een plank
uit de vloer van de constructie en springen er zes gemaskerde figuren uit in
gelijkaardige uitrustingen, maar elk met een ander kleur. Snel slaan ze de
Zilverjassen en de beul knock-out en bevrijden ze de terechtgestelde, die
Thormund direct herkende in de beschrijving van Olaf Ulfsson door zijn
tatoeages van de Hemelse Pony-clan. Zo snel als ze gekomen waren, zo snel
verdwijnen ze ook weer. Het publiek is in consternatie – sommigen halen de neus
op voor dit picareske vertoon, anderen applaudisseren juist. “De Bowel Rangers!”
fluisteren sommigen. Thormund spreekt de eerste de beste vrouw uit het publiek
aan die hij ziet en ondervraagt haar. Ze stoort zich aan zijn nogal
commanderende, arrogante toon maar zegt hem wel dat de Bowel Rangers zich
wellicht verschansen in de buurt van de Nieuwe Bron, waar de Zilverjassen niet
durven komen. Als hij blijft aandringen waar dat is, blaft ze hem toe “in uw
gat” alvorens hem de rug toe te keren.
Bij het avondmaal delen Lühü en Thormund
hun bevindingen met de anderen. Lühü eet een assortiment broodjes (“enkel brood”),
Thormund biefstuk, en Nestor en Zercon wagen zich aan de “lokale specialiteit”:
een constructie van worsten gebouwd als een galg, staand in puree, drijvend in
pap. Het is niet lekker. Daya heeft nog altijd geen diarree.
Na het eten wacht Ringmeester Fabrizzio
zoals beloofd op Zercon en gaan ze naar zijn kantoor, waar de man kennelijk ook
woont. Het is er ingericht zoals je verwacht van een impresario met een druk
leven. Hij luistert geïnteresseerd naar wat Zercon wil doen met zijn zogenaamde
‘Foef-Fighters’ en probeert zijn verwachtingen wat te temperen “want we hebben
hier al 6 satyrs gehad”. Ze bespreken ook wat Zercon eraan gaat verdienen. Erg
veel vindt hij het niet, maar Fabrizzio sust Zercon door te zeggen dat hij hier
wel een risico neemt met een nieuwe artiest! Hij vindt Zercons ambitie wel fijn
en gaat dan met hem naar de kleedkamer, waar de twee andere artiesten al
wachten: Ofelia, een wat lijvige operazangeres met hoog opgetast haar, en een
grimmige kleine clown met een dikke buik, Pagliacci. Fabrizzio neemt afscheid
en verzekert aan Zercon dat zijn vraag van deze namiddag echt maar een brutale
grap was.
Zercon begroet zijn mede-artiesten.
Pagliacci vraagt Zercon rechtuit of hij hem wil doodslaan op het podium. De
clown is zijn leven letterlijk doodmoe en haat zijn job. Hij wil ook niet dat
zijn dood entertainend wordt, maar de mensen vervult van gruwel. Zercon, als de
levenskunstenaar die hij is, kan het niet over zijn hart krijgen en probeert op
Pagliacci in te praten, maar de clown is onvermurwbaar, ondanks de gloedvolle
speech van Zercon, die zelfs Ofelia ontroerend vindt.
Ofelia moet eerst op en brengt een
opera-aria die het publiek snel weer zal vergeten. Dan komt Zercon, die direct
classic rock op panfluit combineert met zijn magnetische persoonlijkheid. Lühü,
die in de zaal geposteerd is onder het publiek, doet bij elke pointe van de satyr
een perfect mechanische drumroll met zijn metalen voet. Het publiek is
gegrepen!
Intussen benadert Thormund, met Nestor in
zijn zog, Vulponia. Vulponia probeert hen te overtuigen te doen alsof ze in
Fabrizzio’s plan meegaan, maar dat zien de mannen niet echt zitten: ze kunnen
op die manier alsnog de zwartepiet toegewezen worden. Nestor denkt zelfs zonder
dat hij dat kan uitleggen dat Vulponia staat te liegen. Daarna stelt Thormund
nog wat vragen over de Bowel Rangers. Vulponia vindt dat een vervelende bende.
De reden dat er nog niets aan gedaan is, is omdat hun misdaden net te laag
onder de radar liggen voor de Goudjassen, en dat ze te goed verschanst zitten
in hun hoofdkwartier voor de Zilverjassen. De Nieuwe Bron was een omgebouwde
barak die nooit is afgewerkt omdat de waterbron te dicht lag bij het rioleringssysteem
van de stad. De plek wordt bewaakt door ijzeren golems. De ruïne ligt aan de
rand van de stad, vlakbij het Rottende Moeras.
Thormund en Nestor pikken nog de grand finale mee van Zercons optreden, die eindigt met een letterlijke bokkensprong. Het publiek is extatisch en veert overeind als één man, met een staande ovatie. Snel rent Pagliacci het podium op en snijdt hij zichzelf de keel over. "Pagliaccio!" roept Zercon nog uit. "Het is Pagliacci!" reutelt de clown zijn laatste doodsreutel.
In de kleedkamer is Ofelia haast flauwgevallen van de diepe impressie die de
satyr heeft nagelaten, en Fabrizzio is door het dolle heen met zijn “ontdekking”.
De vier heren vinden elkaar terug in de gelagzaal, waar de sfeer opperbest is
en de drank weer rijkelijk vloeit (over Pagliacci wil niemand het eigenlijk hebben). Ze krijgen te horen dat ze de dag erop
uitgenodigd zijn om te ontbijten bij Don Diplodoco zelf, die het optreden
vanuit zijn lounge heeft gezien. Terwijl het volk nog rondkolkt, voelt Thormund
in zijn nek iemand achter hem staan en hij draait zich met een ruk om. Het is
zonder enige twijfel Camaborn zelf, met een cape. Hij groet het gezelschap en
nodigt hen uit om morgenmiddag naar het I Fratelli-kapelletje te komen in de
wijk, waar hij verblijft. Hij is weer onmiddellijk weg. Nestor denkt alweer dat
er hier gelogen wordt, maar kan alweer niet zeggen waarom.
Al snel gaat Zercon nog even een bisnummer
geven op zijn kamer met Ofelia, waar ze de vleselijke eenwording bereiken als
het beest met twee ruggen. Thormund is wat teleurgesteld dat hij niet zomaar
door de deur kan die naar Fabrizzio’s vertrekken leidt om des nachts op de
halfling plaats te nemen en gaat maar wat bokkig een dutje nemen in één van de
nu vele lege zetels. Nestor gaat naar zijn kamer om te slapen, en Lühü gaat mee
om te mediteren op de vloer. De agenda voor morgen oogt alweer erg druk.

Reacties
Een reactie posten