Sessie 1 - Een vettige quatremain (retconned)
5 september (avond-nacht), 6 september (ochtend)
- Locatie en plaats: bij de DM, 4 januari 2025
- Aanwezig: Lardo, Lühü, Nestor, Zercon
- Afwezig: Calpurnia, Lorenzo, Thormund
Samenvatting: de
groep komt samen voor de Toren van Overdaad en worstelt zich een weg erdoorheen
naar het portaal naar Alagadda. Eens aangekomen ontmoeten ze de Ambassadeur van
Alagadda, die de groep – tegen een beloning – vraagt om vier items terug te
halen die Camaborn en de zijnen hebben gestolen van de Gouden Prins, het de
facto staatshoofd van de stadstaat. Die objecten zijn: de Zijden Sluier, de
Glinsterende Viaal, de Zielenspecerij en de Karnende Kelk.
Zeven vreemdelingen
convergeren langzaam naar de ingang van de Toren van Overdaad onder een fikse
regenbui in het immer kille Lluskan. Ondanks wat initieel wantrouwen komen ze
er al snel achter dat ze allemaal dezelfde opdracht delen: Camaborn, de zoon van
Camala Alabaster, die vermoedelijk op zoek is naar de Zijden Sluier, terughalen
uit Alagadda. En het portaal naar de mystieke stadstaat zou zich bevinden in
deze Toren van Overdaad, een bouwwerk van de historische half-orkse
piratenkapitein Malvas, die volgens de verhalen zelf al 200 jaar dood is. Na
wat wederzijdse introducties, waarbij vooral de verschijning van Zercon als
satyr nieuwsgierigheid en belangstelling wekt, besluit de groep de Toren binnen
te gaan. Wie zijn de leden? Calpurnia Castagnola, een half-elfse diplomate met
een chique uitstraling; in haar kielzog één van de zeven kapiteins van Lluskan,
de tabaxi Daya de Kat; Lardo di Guanciale, een volgevreten menselijke dikzak
die het altijd wel beter weet en zin heeft in feestjes; Lühü Sëhër, een elfse
priester van een mechanistische cultus met kunstogen en een metalen voet;
Nestor Schorsk, een relatief onopvallende, wat oudere gnoom; Thormund
Eveningstone, een dwergse verlopen flik die eruit ziet alsof hij al weken niet
geslapen heeft; en de eerder genoemde Zercon, een satyr die een schild draagt
met een piemelspleet en een mobiele knots die balzakken simuleert.
Een zware,
donkerhouten poort staat op een kier. Omdat subtiliteit iets voor losers is,
beginnen Lardo en Zercon muziek te spelen en al gauw doet Lühü ook mee in de
ritmesectie, die meer voelt als een afgemeten sample dan een werkelijke drum.
Buurtbewoners openen kwaad dakvensters en schreeuwen de groep doe “dat er hier
wel mensen slapen hé!”.
Het gelijkvloers van
de Toren is een ronde kamer met een wenteltrap. Naast recent verstoord stof
bladderen de muren af en liggen er her en der skeletresten van eerdere
avonturiers. Nestor doorzoekt de kamer terwijl Calpurnia Lardo – de enige van
het gezelschap die niet kan zien in het donker – bijlicht. Nestor vindt een
half briefje geschreven in een mystiek druïdisch schrift en hoewel hij het niet
kan lezen weet hij dat het een deel is van het credo van de Cirkel van
Verdriet, een druïdische orde van Alagadda. Voor de rest vindt hij op de muren
sporen van bliksemschade en een vislijn gemaakt van vissenschubben.
De groep bespreekt
intussen wat ze te weten gekomen zijn tijdens hun tocht door de stad naar de
Toren. Ze weten min of meer dat Camaborn niet alleen naar Alagadda gegaan is,
maar in het gezelschap verkeerde van andere avonturiers. Dit gezelschap is niet
onbesproken in de stad – Zercon weet dat ze schulden hebben bij een handel in
muziekinstrumenten, en Lardo is akkoord gegaan hun schulden te incasseren die
ze hebben opgelopen in het hotel Grand Rombo. Lühü kent alle namen van
Camaborns trawanten. De groep weet ook dat om Alagadda binnen te raken,
prospectieve bezoekers vier gelijke delen nodig hebben van de volgende zaken:
bloed van iemand die met meer dan 1.000 mensen heeft geslapen, glad gepolijst
marmer, buskruit en goud geboren uit een stervende ster. Lühü heeft een kleine
marmeren bal bemachtigt en Lardo heeft buskruit (dat hij en Zercon ook even
opsnuiven gewoon voor de lol). Zercon heeft zijn eigen bloed afgetapt. Maar het
goud stelt de groep voor een raadsel, tot Lühü middels een trucje uitlegt dat alle
goud geboren is in een stervende ster, en hij van iedereen goudstukken
inzamelt.
De groep gaat de trap
op maar merkt dat bij elke trede waar de laatste persoon op stapt – in dit
geval Lühü – de ruimte achter hen verwordt tot een uniform zwart. Objecten die ze er in laten vallen maken geen
geluid, maar objecten die er deels in worden gegooid kunnen zonder probleem
teruggehaald worden. Aangekomen op het 1ste verdiep verandert het
trapgat in een uniforme parketvloer. Ook hier geeft alles de indruk al decennia
nauwelijks verstoord te zijn, op een hoop voetstappen in het stof na. Aan het
einde van de overloop staat een magere, geestelijke verschijning voor een deur.
Lühü weet dat dit de Kamerheer is, en heeft vernomen door zijn tijd bij
kapitein Blorsson dat de geest een hekel heeft aan leugens. Met een stem zo dun
als de vislijn die Nestor vond, heet hij de groep welkom en vraagt hij waarom
ze zijn “heer en meester Malvas” willen bezoeken. Zercon probeert een weinig
overtuigende leugen en Lardo zegt botweg de waarheid: de groep wil naar
Alagadda. Voor de Kamerheer de deur opent wil hij weten of de groep weet wie de
vorige personen waren die de Toren hebben betreden. Gelukkig weet de groep dit:
de elfenprins Camaborn Alabaster, de stormreus Marek Blackwave, de dwergse
priesteres Khomm Tamindoze, de menselijke tovenaar Jub-Jub de Caluwé, de menselijke
barbarenrkijger Olaf Ulfsson, de ogerse smid Bortrond en de aasimar Hala
(“Halal!” beweert Lardo).
De volgende ruimte is
een kleinere overloop met aan west- en oostkant telkens een deur en een dik
touw dat uit een gat in het plafond naar beneden komt. Lardo constateert dat de
deur waardoor ze gekomen waren op slot is. Omdat ze niet veel anders kunnen gaan
ze eerst de westelijke deur binnen. Die leiden naar wat vermoedelijk de
woonvertrekken moeten geweest zijn van de Kamerheer, die onder een dikke laag
stof en doeken liggen. Het is er muf en bedompt, en de kamer heeft geen
vensters. Het enige van belang dat de groep vindt is een stapel papieren waarop
steeds dezelfde zin staat in steeds hetzelfde, erg nauwkeurige handschrift: “¼
goud, ¼ bloed, ¼ buskruit, ¼ marmer.”
Arme Nestor, die
daarna de oostelijke deur opent, wordt direct overvallen door twee zombies die
uit een wandkast vallen. Ze nemen hem lelijk te grazen, maar ondanks de
initiële paniek rekenen de avonturiers snel af met de bedreigingen – vooral
Daya toont zich letterlijk geen katje om zonder handschoenen aan te pakken en
scheurt in één razende aanval één van de ondoden letterlijk aan flarden.
Nestors wraak is zoet – hij schiet de andere zombie door de hals en in zijn
oog.
Door het gat in het
plafond kan Zercon zien dat er nog twee verdiepen boven hetgeen zijn waar ze nu
staan. Behendig klimt Daya naar boven, gevolgd door een verrassend fitte Lardo
en dan de rest. Enkel Lühü heeft wat moeite met de klim en moet nadien even op
adem komen.
De ruimte waar de
groep nu staat bevat meubilair onder doeken en het alomtegenwoordige stof.
Buiten wat voetsporen van hun voorgangers is alles hier al heel lange tijd
onaangeroerd. Bij een gebroken venster hangen rotte gordijnen en er zijn natte
plekken waar het parket gebogen is geraakt door decennialange regen die is
binnengekomen. Een rondspeurende Lühü vindt een medaillon met een zwarte veer
erin en de naam van “Hala” erin gegraveerd, en ook een gebroken ketting waaraan
een gescheurde onderbroek hangt (met remsporen) waar de naam “Bortrond” in
gestikt is. Intussen hebben Zercon en Lardo een piano ontdekt waarvan enkele
toetsen opvallend genoeg geen stof meer hebben. Met hun vettige, grubby fingers
proberen ze een gezamenlijke quatremain uit, en slagen ze erin een simpele maar
mooie melodie te spelen, die de groep spontaan teleporteert naar het verdiep
erboven. Dit is opnieuw een overloop gelijkaardig aan die op het 1ste
verdiep, maar met drie deuren: west, centraal en oost. Ze zien voetstappen in
het stof die enkel gaan naar de westelijke en centrale deur. De westelijke deur
is eerst aan de beurt: daarachter ligt wat vermoedelijk de slaapkamer was van
Malvas, met een vrijstaand bed dat een inscriptie heeft op de zijkant die
niemand kan lezen. Vreemd genoeg ligt er op het deken geen stof – het deken
bestaat uit een zeer zacht, glanzend zwart materiaal waarvan Nestor denkt dat
het de geroemde zwarte zijde van Alagadda is, en dus mogelijk stofwereld. Hij
rolt het deken op en steekt het in zijn rugzak. Het platfond van de slaapkamer
draagt een fresco die een vervaarlijke rode gloed afgeeft. In de vage
silhouetten maakt Thormund er zijn makkers attent op dat dat de Scharlaken
Koning is, een oeroude, extreem gewelddadige en realiteit zelf verwringende
godheid uit een andere dimensie.
De centrale deur leidt
naar wat ooit Malvas’ bibliotheek moet geweest zijn, maar alle boeken liggen
verspreid over de vloer, de boekenkasten zijn ingezakt of omver gevallen en
alles heeft waterschade geleden door openstaande vensters. Tussen de rommel vindt
Lardo toch nog een bruikbare spreukrol en in een waterdichte enveloppe vindt
hij een stadskaart van Alagadda. Het valt hem op dat het gebied dezelfde vorm
heeft als de baai van Lluskan. Achter de voormalige boekenkasten is er een trap
naar boven. Na we delibereren over de laatste deur van dit verdiep besluit men
toch zijn kansen te wagen, ondanks het gebrek van voetstappen in het stof die
erop kunnen wijzen dat Camaborn en de zijnen de deur links hadden laten liggen
voor een goede reden. Terwijl Lardo de deur nadert, hoort hij een gebonk en
gebrul van de andere kant komen. Lühü herinnert zich dat hij een waarschuwing
had gekregen dat de ondode piratenkapitein Simeon Boxtale – een voormalige
rivaal van Malvas – mogelijk nog steeds opgesloten zat in de Toren, en dat het
uitkijken geblazen was, want Boxtale was een overtuigde vegetariër.
Lardo heeft de deur
nog niet helemaal open of Boxtale barst uit zijn ketenen, dol van razernij, om
zich op onze sympathieke smulpaap te storten. Langs Boxtale heen zoeven
beenderen die zichzelf assembleren tot vier skeletten. Zercon mept er direct
één aan gruzelementen. Nestor en Daya zijn minder succesvol, terwijl Lühü zich
beroept op de heilige energie van zijn religie en een machtig spiritueel
tandwiel laat oprijzen dat één van de andere skeletten versplintert. Lardo
weert zich hevig en slaagt erin één skelet te verpulveren tot as met zijn
brandende handen, maar Boxtale vecht als bezeten – in een wervelwind van
uithalen met zijn kromzwaard, aanvallen ontwijkend van Nestor, Lühü en Zercon,
haalt hij Lardo neer. Zercon slaagt er uiteindelijk toch in Boxtale uiteen te
meppen in brokkelige modder. Lardo wordt opgeknapt, en in de crypte waar
Boxtale al bijna twee eeuwen had zitten stomen in zijn eigen razernij, vindt de
groep 10 helende drankjes. Er wordt geheeld en geknuffeld, en de groep gaat
terug naar de oude bib om naar de bovenste étage te stijgen van de Toren.
Eens iedereen de trap
op is en boven staat, verdwijnt ook hier het trapgat en is de vloer volledig
parket. De ruimte lijkt eindeloos zwart en onbegrensd. In het midden is er een
witte cirkel met een metalen paneel waar vier sleuven zijn met een andere kleur:
wit, goud, rood en zwart. Op één na zijn alle inscripties onder de sleuven
onleesbaar, maar genoeg voor Nestor om uit te vissen dat het marmer in de witte
sleuf moet, het bloed in de rode, het buskruit in het zwarte en het goud in de
gouden. Lühü duwt de marmeren bal erin, Zercon giet zijn bloed erin en Lardo
plaatst het buskruit, waaruit een warme damp opstijgt. En passant leert
Lardo aan de andere groepsleden wat “plompen” is, met enthousiaste steun van
Zercon. Als laatste giet Lühü 21 goudstukken in de gouden sleuf. Binnen de
cirkel wordt plots een veld van sterren zichtbaar.
Voor de groep besluit
om er door te stappen, komt er van de andere kant een drow-man uit in een
kunstig, zeer duur uitziend, zwart harnas. Met een zwaar accent stelt hij zich
voor als Lorenzo di Lorenzo en nodigt hij namens de Ambassadeur de groep uit naar
Alagadda. Die besluit hem te volgen. De groep stapt door het portaal en komt
terecht in een ommuurde tuin waar het aangenaam warm is, met een frisse bries,
kunstig aangelegde planten, stenen en een klein beekje dat langs een wandelpad
loopt. Tussen de groep en de enige weg uit de tuin – een groot hekken – staat
de Ambassadeur, een onnatuurlijk lange man bedekt in allerlei ingewikkeld
(letterlijk) ornaat en een even onnatuurlijke glimlach.
Terwijl de Ambassadeur
begint te praten, constateert de groep verbaasd dat hij Alagaddaans praat en
dat ze hem zonder moeite kunnen begrijpen. Meer nog: hun eigen Algemene Taal is
vervangen door Alagaddaans. Lorenzo gaat op zijn knieën zitten voor zijn meester
en buigt zo ver voorover dat zijn voorhoofd de grond raakt. De Ambassadeur
stelt zichzelf voor en komt direct ter zake. Hij had vernomen dat de groep zich
opmaakte om naar Alagadda te reizen en heeft er spijt van dat hij de aankomst
van Camaborn en de zijnen twee maanden geleden niet beter heeft opgevangen,
want zijn groep heeft al voor heel wat problemen gezorgd. Concreet hebben ze
vier objecten gestolen van de Gouden Prins, de de facto heerser van de
stadstaat, en de Gouden Prins wil die terug. Als de groep akkoord gaat om –
tegen een beloning – die objecten terug te halen, dan krijgt ze van de
Ambassadeur een verblijfsvergunning voor Alagadda. Nu geeft de Ambassadeur hen
een visum van twee weken. Hij benadrukt dat de wet belangrijk is in Alagadda en
adviseert hen om een advocaat in te huren voor hun avonturen (Lühü en Lardo,
geleerde mannen als ze zijn, denken dat ze dit eigenlijk best zelf wel kunnen
in plaats van geld uit te geven aan een lokale advocaat). Hij zegt voorts dat
ze met hun visum niet in bepaalde delen van de stad mogen komen: eigenlijk alle
havenkwartieren en de Prinselijke Wijk. De ordehandhaving wordt verwacht
gehoorzaamd te worden, en Alagaddanen hebben het recht vreemdelingen ergens de
toegang te ontzeggen: dit is geen stiekeme uitnodiging om het toch te proberen.
De Ambassadeur legt
uit waarom de objecten van belang zijn en geeft tips over waar ze het laatst
gesignaleerd zijn of vermoedelijk zouden kunnen zijn. Daarna maakt hij nog tijd
om vragen te beantwoorden van de groep. Nestor vraagt wat de Cirkel van
Verdriet is. De Ambassadeur is geamuseerd dat die vraag van Nestor komt, en
verschillende keren krijgt Nestor het gevoel dat de Ambassadeur op een andere
manier naar hem “kijkt” (hij kan zijn ogen niet zien) dan de anderen. De Cirkel
van Verdriet is een druïdische orde die zich verdiept in de mysteriën van rouw,
verlies en uitvaarten. Hun Tuinen van Eeuwige Herfst zijn een plaats waar
mensen graag komen voor contemplatie. Lardo vraagt hoe het zit met religie in
Alagadda, waarop de Ambassadeur zegt dat alle religies welkom zijn in de
stadstaat, behalve één – daarop richt hij zich tot Thormund zonder verdere
uitleg. Zercon vraagt naar de beste plekken voor seksueel vertier, en krijgt de
naam mee van het megabordeel de Vleesput. Lühü krijgt dan weer te horen dat hij
in de stad geloofsgenoten zal kunnen vinden – de centrale pleisterplaats ervan
is de Kathedraal der Voltooiing – maar dat hij niet op sympathie zal kunnen
rekenen van aanhangers van de Cirkel van Vlees. Zercon wil voorts weten waarom
de Ambassadeur deze taak toevertrouwt aan buitenstaanders, en krijgt
bevestiging voor zijn vermoeden dat de stad in oproer is en dat misschien enkel
buitenstaanders de problemen zullen kunnen oplossen die door andere buitenstaanders
gecreëerd zijn. Voor de rest zijn zijn antwoorden eerder glad, wat filosofisch,
altijd met een schijn van mogelijke onoprechtheid.
(Retcon begint hier) Voor hij overgaat tot het uitlaten van de bezoekers in zijn weelderige Tuinen, zegt de Ambassadeur dat Lorenzo, Calpurnia en Lardo nog even bij hem moeten blijven en dat hij voor hen een “bijzondere missie” voorzien heeft, maar dat ze de anderen terug zullen kunnen vervoegen als hun taken erop zitten. Lorenzo gehoorzaamt onmiddellijk. Calpurnia lijkt ietwat sceptisch, Lardo vindt het compleet normaal dat een man van zijn postuur en met zijn ervaring speciale taken toebedeeld krijgt. De rest van de groep heeft er niets op te zeggen en fronst alleen maar.
Als laatste punt zegt
de Ambassadeur dat er in Alagadda maar twee transportmiddelen toegelaten zijn
voor bezoekers: hun eigen voeten, of gondels. Hij draait zich terug naar Nestor
en zegt dat ze op dat vlak geluk hebben, want ze hebben al een gondel en
een bijpassende gondelier. Nestor is blij verrast dat zijn jarenlange
vermoedens kloppen dat hij een gondel heeft. Nestor, Thormund, Zercon en Lühü dalen via een trap uit
stenen gehakt naar beneden af langs de tuinen en vinden aan een aanlegsteiger
inderdaad een gondel, geverfd in bostinten, met hoofden van gnoomse bosgoden,
en bedekt met planten en klimop. De gondel heet Silvia. De Ambassadeur
raadt als logies voor de groep in de stad Teatro Silenzio aan in de Huilwijk en
wenst hen veel succes. De vier overgeblven groepsleden en Daya stappen in de gondel, met Nestor op kop. Het
avontuur kan beginnen. Alagadda wacht.

Reacties
Een reactie posten